donderdag 18 september 2014

WOW Amsterdam

Transformatie was, na leegstand, één van de meest gebezigde woorden in de vastgoedwereld de afgelopen vijf jaar.

Grote panden, die door veranderende eisen op het gebied van duurzaamheid en indeling, maar ook door maatschappelijke verschuivingen hun gebruikers en daarmee functie verliezen, blijven vaak voor langere tijd leeg. Zwerfkei geeft met antikraak tijdelijk invulling aan dat soort panden, door er bewoners of kleine bedrijfjes te plaatsen.

Een voorbeeld van zo´n pand is de voormalige H.T.S., gelegen aan Wiltzanghlaan 60 te Amsterdam. Het pand, dat in de jaren ’60 van de vorige eeuw gebouwd werd, huisvestte lange tijd de Hogere Technische School van Amsterdam. Na het definitieve vertrek van de H.T.S. heeft het pand verschillende functies gehad. Zo was in een gedeelte een crèche gevestigd en heeft het onderdak geboden aan asielzoekers.

Wij kregen het pand voor het eerst in beheer in 2005. In 2006 werden we opgezegd, om het in 2007 opnieuw in gebruik te nemen.

Tijdens ons beheer hebben we in het pand een groot aantal bewoners geplaatst, daarnaast had een aantal mensen er een atelierruimte. 

In 2013 moesten wij het pand opnieuw opleveren - nu
definitief - omdat er plannen waren voor een nieuwe, multifunctionele bestemming, waarin creativiteit centraal zou staan.

De huidige voorgevel.
Dit jaar is in het voormalige schoolpand WOW geopend. WOW - ontwikkelt door Stadsdeel West, Bureau Broedplaatsen en hotelier Sandra Chedi - beoogt een culturele hotspot te zijn, waar met huisvesting en atelierruimte voor jong creatief talent, betaalbare hostelkamers, een dynamische programmering, open lobby en een restaurant (met groenten en kruiden uit eigen tuin) een breed publiek bediend wordt en bezoekers, bewoners, Amsterdammers en internationale reizigers elkaar ontmoeten.

Als tijdelijke beheerder zien wij zelden wat er na ons beheer met een pand gebeurt. Terwijl dat juist zo interessant is! Toen we vernamen dat WOW haar deuren had geopend, besloten we dan ook met ons team in het restaurant van WOW te gaan eten en de transformatie van het pand met eigen ogen te bekijken. We hadden hierover contact met Marlies, de creatief programmeur van WOW. Zij stelde direct voor ons een uitgebreide tour door het pand te geven. Dat aanbod accepteerden we natuurlijk graag!

_ _ _

We spreken af op een woensdag, om 18:00 uur. Omdat we vroeg zijn, hebben we de gelegenheid vast wat rond te kijken. Wat direct opvalt, is de bedrijvigheid rondom het pand. Op het plein spelen kinderen en hier en daar zitten en staan mensen te roken en te kletsen. In de lobby lopen jonge toeristen op en af. Bij de incheckbalie staat een flinke groep Aziaten met backpacks klaar om sleutels van hun kamers in ontvangst te nemen.


In de hal staat een maquette van het pand. Aan de hand daarvan vertelt Marlies over het pand.

‘De derde en vierde verdieping zijn helemaal ingericht als hostel. Net als voorheen tellen ze ongeveer 50 kamers. De architect heeft de bestaande structuren van het pand grotendeels gebruikt. In totaal zijn er bijna 350 bedden.’

Behalve de bouwkundige structuren, zijn ook de kleuren van het pand overgenomen. Iedere verdieping had oorspronkelijk een eigen kleur: geel, rood, blauw en groen. Dit was zichtbaar in de linoleum vloeren, maar kwam bijvoorbeeld ook terug in de nummerbordjes op de deuren. Bij de transformatie is het kleurenthema uitvergroot: niet alleen vloeren en bordjes hebben - per verdieping - een eigen kleur, maar ook wanden, deuren en (in het hostelgedeelte) meubels zijn nu uitgevoerd in die kleur.

Het hostel is gericht op een internationaal publiek, hoewel iedereen welkom is.
Marlies: ‘We focussen ons op de zogenaamde urban explorers. Mensen die affiniteit hebben met kunst en cultuur en graag buiten de gebaande paden gaan. Bij Berlijns toerisme zie je dat bijvoorbeeld duidelijk: mensen gaan liever naar de buitenwijken dan naar het centrum, ook al zijn dat misschien niet de netste buurten. Juist die plekken zijn populair, omdat wat er gebeurt spannender is, meer underground. Daar speelt WOW ook op in.’

Godfried Lambriex, stadsdeelbestuurder in Amsterdam West, op de site van het stadsdeel: ‘De komst van WOW Amsterdam is een aanwinst voor de Kolenkitbuurt in West en voor de rest van de stad. De buurt is momenteel in ontwikkeling en daar sluit het unieke concept van WOW Amsterdam goed bij aan.’

Het centrale trappenhuis.
Marlies: ‘Op de eerste en tweede etage zijn tijdelijke woningen gecreëerd voor 50 jonge kunstenaars. Net afgestudeerde kunstenaars van verschillende opleidingen in Amsterdam kunnen hier voor maximaal een jaar terecht. Niet alleen beeldende kunstenaars of mensen van de Rietveld, maar juist een mix van verschillende opleidingen en disciplines. Podiumkunst, conservatorium, modeontwerp... Het is bewust super divers.
Het idee is de starters een jaar te faciliteren op een inspirerende plek, waar kruisbestuiving mogelijk is en tegelijk een podium wordt geboden. Dit blijkt in de praktijk ook te werken: er is veel interactie tussen de bewoners. Het is dus niet alleen een promotieverhaaltje, maar echt de ervaring van de gebruikers hier. Dat is heel mooi!
Wij vinden het interessant al die kunstopleidingen bij WOW te betrekken en te kijken of er gezamenlijk programmaonderdelen ontwikkeld kunnen worden.’

Op de begane grond is, naast het restaurant, de receptiebalie en de lobby, veel ruimte die gebruikt wordt voor de culturele programmering. Hier kan bijvoorbeeld een expositie worden ingericht of op andere manieren werk van de bewoners tentoongesteld worden. WOW biedt zo een platform aan de kunstenaars enerzijds en trekt anderzijds mensen “van buiten” aan. Zowel buurtbewoners als stedelingen zijn hierbij een beoogde doelgroep.

Marlies: ‘Het Amsterdams Grafisch Atelier zit aan de achterkant van het pand. Daar is veel kennis en kunde wat betreft druktechnieken en drukmachines en dergelijke. Kunstenaars kunnen er ruimte huren en gebruik maken van de machines.
Het is mooie cross over: zij hebben de werkplekken en WOW heeft plek om werk tentoon te stellen. Dat versterkt elkaar. Op deze manier wordt een creatief complex gevormd, dat niet alleen voor de kunstenaars interessant is, maar ook de buurt enorm kan “liften”. Er gebeurt al veel in deze buurt: je hebt het GildeLab, The Bookstore, Cascoland... De Kolenkitbuurt heeft heel veel te bieden. Dat zullen we in de toekomst ook door meer gezamenlijke communicatie gaan uitdragen.’

De Kolenkitbuurt heeft niet echt een goede naam. Uit onderzoek in 2004 door het Amsterdams Bureau voor Onderzoek en Statistiek kwam naar voren dat het de minst gewaardeerde wijk van Amsterdam was. Men voelde zich er onveilig, de werkeloosheid was er hoog en onder bewoners kwamen relatief veel psychomatische - en gezondheidsklachten voor.
De buurt werd bekend als Vogelaarwijk: een wijk waar volgens minister Vogelaar bovenmatig veel sociale, fysieke en economische problemen voorkwamen. In februari 2009 werd de wijk in nationale media de meest problematische wijk van Nederland genoemd.

Door verschillende overheden en instanties is de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in de wijk. Er is nieuwbouw gepleegd en groen licht gegeven voor allerlei (creatieve) initiatieven, die de leefbaarheid van de wijk moeten vergroten. Ook WOW is zo’n initiatief.

Een van de eerste projecten van WOW, dat met het belang van de wijk in gedachten is uitgevoerd, is het podium dat op het plein staat. Het podium bestaat uit losse blokken op wielen, van verschillende hoogten, die allemaal aan één hoek met een ander blok verbonden zijn. Het geheel is daardoor op verschillende manieren te plaatsen.

Podium op het plein.
Marlies: ‘Het is multifunctioneel, omdat het op meerdere manieren neergezet kan worden. Als een podium, een ster, een soort arena. Op de kopse kant staat in grote letters WOW, daarmee is het een herkenbaar object vanaf de straat.
We hadden de wens iets voor het pand te maken met een opleiding voor jonge kunstenaars en zochten contact met de Academie van Bouwkunst. We hebben drie studenten gevraagd iets voor het plein te maken. Het idee was: als de verbouwing bezig is, is het erg onduidelijk wat er nu eigenlijk gebeurt hier. Dat is voor een buurt nogal onzeker. Met dit stuk wilde we een handreiking maken naar de buurt en mensen ook uitnodigen. De studenten bedachten dat het iets moest zijn waar WOW zelf iets aan heeft, maar wat ook de buurt bedient. De uitkomst was een podium. Er kan iets op geprogrammeerd worden, qua muziek of dans, maar het kan ook als speeltoestel dienen voor buurtkinderen, of als zitplek.
Er wordt ook veel gebruik van gemaakt! Als het zonnig is, relaxen mensen erop of er wordt op gespeeld. Dat werkt op die manier!’

Dan begint de fysieke tour door het pand. Op de begane grond is een groot aantal tussenwanden verwijderd. De entree, die eerst donker en krap was, is nu licht en ruim en overzichtelijk. Het geheel heeft een industriële look, met verwijderde systeemplafonds en een “rauwe” afwerking. Deze stijl, eigenlijk geboren uit een beperkt budget, maakt een statement en is in het hele pand doorgevoerd.

Via een grote trap komen we op de eerste etage, die helemaal groen is. Hier bevindt zich één van de expositieruimtes.
Expo-ruimte op de eerste etage.
Marlies: ‘Met verlichting voor de tentoonstellingen was geen rekening gehouden in de budgetten. Terwijl dat natuurlijk erg belangrijk is! Het moest last minute geregeld worden en voor een beperkt bedrag. De oplossing was uiteindelijk heel mooi. We konden namelijk oude spotjes van het Rijksmuseum overnemen, voor een goede prijs. Die spotjes zijn uiteindelijk voor meerdere plekken in het pand gebruikt. We vinden het ook een fijne gedachte: op deze manier steunt het Rijksmuseum het jonge talent. Zo grijpt het weer in elkaar.’

Het trappenhuis van de eerste naar de overige etages dient ook als expo-ruimte, met een enorm wandoppervlak. Aan het plafond hangen futuristische objecten van rijstpapier en ijzerdraad. In totaal telt het pand drie tentoonstellingsruimtes: op de eerste etage, in het trappenhuis en een grote op de begane grond. Het streven is ook steeds drie voorstellingen te hebben.

Het hostelgedeelte op de derde en vierde etage, in rood en geel, is drukbezocht. In het weekend is er een bezetting van 70%. Er komen bezoekers van over de hele wereld: Scandinavië, Turkije, maar ook van verder. 

Een jongen uit Canada is zo aardig ons zijn kamer te laten zien. Die is rood. Heel rood. De vloer, wanden, stapelbedden, kasten, alles is rood. Het heeft een enigszins vervreemdend, maar warm effect.

Op de gangen, zowel de rode als de gele, zijn sommige wanden voorzien van contrasterend behang met allerlei patronen. Soms geometrisch, soms haast arabesk. Het oogt fris, schoon en modern.

Gang op de vierde etage.
Op de vierde etage is een tweetal bijzondere kamers ingericht. Deze zijn wat groter en wat luxer, zodat ook “belangrijke” gasten, zoals regisseurs of kunstenaars, in het pand gehuisvest kunnen worden.
Gang op de derde etage.

WOW werkt ook wat betreft het hostel graag samen met lokale evenementen. Westival bijvoorbeeld. De organisatie van dit evenement brengt haar artiesten onder bij WOW, die dan weer een gereduceerd tarief rekent.

De tour eindigt in de binnenplaats aan de achterzijde van het pand.
Marlies: ‘Het was een enorme plak asfalt, die gebruikt werd als parkeerterrein. WOW heeft er een plan voor ontwikkeld, in samenwerking met de andere partijen die aan het plein grenzen. Er is een werkgroep opgericht: De Plantage. Het plan is hier groente en fruit te kweken, in eerste instantie om het restaurant te bevoorraden. Er is bodemonderzoek gedaan en dat is allemaal in orde. We hebben nu ons eerste seizoen achter de rug en stappen net over op de wintergroente. Het is wel een project in wording, het heeft tijd nodig.
In het asfalt worden door een bouwbedrijf sleuven gezaagd, die al zijn afgetekend. Het asfalt wordt vervolgens omgeklapt, er gaat grond in en daarin wordt de plantage gemaakt. Het gaat allemaal stapsgewijs en kan niet ineens geregeld worden, omdat het nogal prijzig is. Het moet zich allemaal ontwikkelen.
We willen graag vergroenen, bijvoorbeeld ook door de daken groen te maken met beplanting. Daar komt eventueel ook subsidie voor vrij, zodat het geheel naar een hoger plan getild kan worden.
Op termijn moet er een kas komen te staan. Daar kan dan bijvoorbeeld ook kunst getoond worden. We proberen op alle vlakken kruisverbanden te leggen tussen de tuin en kunst.’


Nu de rondleiding ten einde is, begeven we ons naar het restaurant. Het bevindt zich op de begane grond, in het gedeelte waar vroeger een Turks buurthuis zat. Ook deze ruimte is hoog en ruim en - vanwege de enorme raampartijen - behoorlijk licht.
Marlies: ‘Het voelt hier altijd een beetje als een strandtent.’

Kok Jori verwent ons met een heerlijke curry (met ook kruiden uit de eigen tuin) en ijs voor dessert. Het restaurant is recent pas geopend en er wordt nog gewerkt aan een standaard menu. Tot die tijd zijn er steeds twee wisselende gerechten, waarvan één vegetarisch.

We zijn erg onder indruk van de transformatie van het pand! Tijdens de rondleiding is, bij het zien van de veranderingen (en vooral: verbeteringen), dan ook regelmatig een enthousiast ‘Wow!’ te horen. Met name het openbreken van de ruimtes, door muren weg te halen, heeft veel effect. Ook het kleurenthema, in combinatie met de industriële afwerking, is sterk en past bij het beoogde publiek.

Wij zijn benieuwd wat WOW nog allemaal gaat brengen. Gaat dat zien!

_ _ _

http://www.wow-amsterdam.nl/

dinsdag 9 september 2014

BYBROWN

Als je de gebruikers van alle panden in ons beheer bij elkaar zou zetten, zou je een enorme verzameling talent hebben!

Wij beheren veel grote panden, waarin een grote hoeveelheid kleine ondernemingen gehuisvest is. Een aanzienlijk deel daarvan wordt gevormd door professionele creatieven, in de breedste zin van het woord. Fotografen, schilders, grafische ontwerpers, musici, filmmakers, schrijvers en stylisten - onder andere - vinden er hun werkplek.

Eén van die ondernemingen, gevestigd op de Prinsengracht, is BYBROWN.

BYBROWN is een high end modelabel dat staat voor "raw elegance and edgy tailoring".

Tijdens de Amsterdam Fashion Week in juli gaf BYBROWN een show, gesponsord door Humana. In dit filmpje zie je de toen getoonde collectie. Wij vinden het prachtig! 

Leuk detail: in de show loopt ook een Zwerfkei-bewoner mee!

maandag 20 januari 2014

Een goede start met een goed doel

Het is inmiddels een traditie: ieder jaar rond de feestdagen kiezen we een goed doel uit, dat we als bedrijf willen ondersteunen. Aan dat doel schenken we dan een substantieel bedrag.

Dit jaar hebben we twee organisaties uitgekozen, waarvan we het werk een warm hart toedragen.

Stichting Max Maakt Mogelijk heeft diverse projecten die gericht zijn op het verbeteren van het welzijn van ouderen. Wij hebben geld gedoneerd voor een project dat zich inzet voor dakloze arme ouderen in de Balkan.

Daarnaast hebben we een schenking gedaan aan WE Centre. Deze stichting is actief op de Filipijnen en helpt met het realiseren van schoon drinkwater en de wederopbouw na het recente natuurgeweld aldaar.


Wij zijn blij deze organisaties te kunnen helpen met hun missie.

dinsdag 24 september 2013

Maak kennis met...

In Amsterdam staat veel leeg. Het gaat om panden waar voor kortere of langere periode geen invulling voor is. Om de risico's van leegstand te vermijden, schakelen pandeigenaren Zwerfkei in om verantwoordelijke tijdelijke beheerders in deze panden te plaatsen. Graag stellen we een aantal van hen aan je voor. 
Maak kennis met Donovan Spaanstra.


Ik word hartelijk door Donovan ontvangen in zijn atelier. De ruimte 
-eigenlijk een winkel- bevindt zich in IJburg, Haveneiland West. Een aantal hoge ramen laat veel licht binnen en biedt een indrukwekkend wijds uitzicht over het IJ. Rechts in het vertrek staat een vijftal schilderijen op ezels. “Om je een idee te geven,” zegt Donovan lachend.

Hij heeft een stadsgezicht opgesteld, een zelfportret, twee portretten van zijn partner en een groot paneel, ook een portret, van de dominee van zijn kerk. Aan het laatste werkt hij ten tijde van dit interview, voor een kerkelijk evenement. 

We hebben het naar aanleiding van zijn selectie over zijn onderwerpkeuze en het contrast tussen alledaagse onderwerpen en een klassieke uitvoering. Zo heeft hij zijn partner geschilderd op Vermeerachtige wijze, met hoog opgestoken krullen en een mysterieuze blik, met in haar handen een Ipad. “Ja,” zegt hij, “dat is wat ik doe. Ik schilder het tijdloze van nu.”

Donovan is begonnen en bekend geworden als graffiti-artiest. Hij maakte onder andere portretten van Majoor Bosshardt en Theo van Gogh, exposeerde in allerlei musea, werkte in opdracht van gemeenten, bedrijven, evenementen en clubs en nam deel aan diverse televisie-uitzendingen. 
Hij vertelt: “Ik zit in een overgangsfase.” Hij wijst naar één van zijn werken. “Hier zit spuitbus in, maar ik heb ook veel met acryl gewerkt, in een squizer. Dat komt uit de graffitiwereld, het is ontwikkeld om te taggen. Ik kom natuurlijk uit die wereld, dus ik ken die producten erg goed. Veel van wat je hier ziet, is spuitbus in combinatie met squizer. Maar langzaam wordt het wat meer... Groei ik wat. Spray is wel leuk hoor, maar zo grof in vergelijking, heel hard.”
De portretten zijn gedetailleerd en sprankelend, haast alsof er leven in zit. Wanneer ik dat benoem, bedankt hij bescheiden.
“Puur spray, dat trekt me niet meer. Ik gebruik het steeds minder, hoewel ik zie dat het ook wel mooi kan zijn. Vannacht kon niet slapen, omdat ik nog erg in mijn paneel zat.” Hij wijst naar het portret van de dominee. “Het klopte nog niet, het leefde niet en toen heb ik er een klein beetje op gespetterd met de spuitbus -je kan er heel mooi mee spetteren- en daar komt het dan wel door los.

“Ik raak steeds meer geïnteresseerd in olieverf en kwasten. Vroeger hield ik daar helemaal niet van. Op de academie had ik er een sterke aversie tegen. Ik werd overdonderd door wat daarmee allemaal al was gedaan, honderden jaren lang, vanaf de gebroeders Van Eyk in de vijftiende eeuw. ´Daar kan ik niet tegen op´, dacht ik, ´ik moet het met mijn spuitbussen doen.´ Maar mijn verlangen naar steeds briljantere beelden groeide…”

Met briljant bedoelt Donovan in dit geval licht, hij zoekt steeds meer licht in zijn werk. Geïnspireerd door de werken van zeventiende eeuwse meesters zoals Gerard Dou en Rembrandt, ging hij op zoek naar fonkeling in zijn werk. 
“Wat zij vroeger uit verf haalden, wilde ik met de spuitbus bereiken. Maar dat redt je niet, omdat het te grof is. Met allerlei kunstgrepen ga je dan een werk in elkaar zetten, maar dat is zo zwaar! Ik werk met mijn handen, met wattenstokjes, schuurpapier, het is immens. Ik ben tien, elf uur per dag aan het werk en dan ben ik helemaal op. Terwijl ik weet: als ik de techniek van olieverf beheers, kan ik hetzelfde in een paar uur.” 
Ik vraag hem naar de mogelijkheden. Krijgt hij met olieverf dezelfde levendigheid die hij met spray in zijn werken legt? Donovan lacht en zegt dat hij met olieverf juist veel verder kan gaan.
“Er zit een limiet aan acryl. Olieverf heeft zo’n rijk pigment, daarmee krijgt het veel meer gloed, veel meer diepte. Ik wil dat het matte uit mijn werk verdwijnt.

“Licht is een wonder, in die zin ben ik een traditioneel kunstenaar, net als een fotograaf. Licht maakt leven. Licht is fonkeling, is tinteling. Het laat beelden tot leven komen. Ik kan me niet voorstellen dat ik alleen maar platte dingen zou maken, alleen maar lijnenwerk.
Vroeger heb ik wel abstracte dingen gedaan. Stipjes op containers geplakt bijvoorbeeld. Dat is nota bene nog in een catalogus terechtgekomen van het GEM, het Haags gemeentemuseum. Maar het is niet wie ik echt ben, dus ik heb het daarna nooit meer gedaan. Het was een lolletje. 
Al die dingen... ik zou er misschien nog wel bekend mee kunnen worden, maar je moet doen wat je het allerliefst ligt. Dat zegt niet dat ik abstracte schilderkunst niet kan waarderen, ik vind sommige colorful painters heel interessant. Mark Rothko.  Het is niet dat ik daar de ogen voor sluit. Maar je moet ontdekken waar je eigen talenten liggen. 

“Ook de kwast ben ik meer gaan waarderen. Ik begon met brushstiften te werken en toen was de overgang naar een echte kwast niet zo groot. Nu pas begint de wondere wereld van de penseel voor me te leven. Marterhaar, dashaar, runderhaar, de verschillende hardheden… Het is geweldig! De angst die ik ervoor had begint te verdwijnen.
Mijn onzekerheid is weg. Het klinkt wat aanmatigend misschien, maar ik durf mezelf nu tussen mensen te zetten, waarvan ik vroeger dacht dat ik hun niveau nooit zou kunnen evenaren. Ik weet nu dat ik het wèl kan. Ik hoef er niet meer tegen op te boksen, anderen bepalen niet langer hoe ik schilder. Als je jonger bent, is dat nog allemaal behoorlijk heftig.”

Zelfportret 2002
Commercieel gezien heeft Donovan wel getwijfeld aan deze ontwikkeling. Hij is erg goed met de spuitbus, zijn werk origineel. Moet je daar dan vanaf stappen? Ja, vind hij, want hij moet eerlijk zijn naar zichzelf. 
“Ook als dat betekent dat ik dan minder origineel ben en tienduizend concurrenten heb. Ook omdat ik ervan overtuigd ben dat ik mijn eigen manier van uitdrukken heb, zowel in onderwerpkeuze als in manier van schilderen. Uiteindelijk gaat het de klant denk ik om het beeld en niet om het materiaal. 
Het is een hele interessante overgang. 
Misschien heb ik het ook wel verleerd. Het spuiten moet je echt bijhouden. Net als graffiti, letters enzo. Dat kost me nu veel moeite, terwijl ik het zo lang deed. Als ik het nu doe, moet ik er echt over nadenken.”

Heeft hij zijn interesse in graffiti dan verloren, nu hij andere technieken meer waardeert?  Dit ontkent hij.
“Het is gewoon iets anders. Toevallig las ik vanochtend een boek over jaren ‘80 graffiti, dat is natuurlijk helemaal mijn periode, ik zat er midden in. Maar de beelden die ik zo goed kende, zie ik nu met de ogen van een schilder. Ik kan het niet meer zien zoals toen. Ik heb geleerd kleuren te dempen en dan is dat ineens: BAM! 
Van de ene kant vind ik het heel grappig: laat het allemaal maar lekker knallen, maar… ik vind het plat. Je verandert, je ontwikkelt en je kan ook niet meer terug. Als je iets heel lekkers hebt geproefd, neem je geen genoegen meer met minder. Ik heb geproefd hoe het kan zijn.“

Hij loopt naar het portret van de dominee, wijst. “Dit stukje was zo’n kick, daar voelde ik gewoon dat er iets in kwam en ik wist hoe ik die flikkering in de huid kon krijgen. Dit zijn eigenlijk hele grove vlekjes, het zijn maar stippeltjes, maar als je naar achter loopt… Dan trekt het strak en het fonkelt, het geeft licht. Het is 3D, zacht en doorschijnend. Zoals bij de zeventiende eeuwse schilders. Dat is zo mooi! Als je dan kijkt naar het impressionisme of fauvisme, dat heeft allemaal dat platte. Het mist de diepte, maar die is juist zo fantastisch.

“Toen ik mijn schilderen ontwikkelde, kwam ik erachter dat mijn eigen onderwijs tekort heeft geschoten. In het kunstonderwijs vanaf de jaren ‘50 of ‘40 van de vorige eeuw is tekenen er langzaam helemaal uit gedonderd. Wat erg jammer is, want ze konden tekenen vroeger!
Daarvoor in de plaats is een meer autonome manier van werken gekomen, conceptueel denken. Het idee is belangrijk. Jonge mensen moeten origineel zijn. Leraren die konden tekenen werden geweerd, omdat dat ouderwets zou zijn, archaïsch. 
Er zijn behoorlijk wat mensen die macht hebben in de kunstwereld, die over mijn werk zeggen: dit is knap, maar toch is het kitsch. Daar ben ik me van bewust, dat dat zo wordt gezien, maar ik moet toch mezelf zijn.”

Ik wil graag weten wat de overgang van het grovere spuitwerk naar het verfijnde realisme in gang heeft gezet. Donovan vertelt dat hij al lang geïnteresseerd is in realisme. Vanaf 1991 studeerde hij aan de Kampen Academie. Hij was een ‘graffiti-jongen’, maar besloot desondanks dat hij moest kunnen tekenen. 
“Ik wilde niet een typische graffiti-schrijver op de academie zijn, die strippoppetjesachtige dingen maakt.” 
Hij tekende veel zelfportretten en trainde zichzelf. Daarna maakte hij van alles: portretten, stadsgezichten, stillevens, veelal met hele felle kleuren. 
“Ik verkocht er goed mee, maar ik ben het niet. Ik zou dat ook niet meer doen, die gekke kleuren.”
Hij laat wat tekeningen zien. Ik vind ze prachtig. Heel sprekend en, mijns inziens, juist door die kleuren ook behoorlijk spannend.  Maar Donovan identificeert zich er niet meer mee. Het is grappig om te zien, maar alles in het beeld vraagt aandacht en dat irriteert hem nu. Nu dempt hij kleur liever, met een paar accenten die er toe doen. Zijn vroegere werk vind hij bizar, qua kleur.

Terwijl we door de stapel met tekeningen gaan, vraagt hij of op het kantoor van Zwerfkei kunst hangt. We hebben een aantal werken hangen van kunstenaars, die via ons een werkruimte hebben (gehad). Donovan biedt me direct een tekening naar keuze uit de stapel aan, om op te hangen. Leuk! En moeilijk, want er zit veel tussen dat mooi is. Uiteindelijk kies ik voor een tekening van de Dam, gemaakt met Chinese brushmarkers in allerlei grijstonen. Dat zijn stiften, maar het zou ook gemaakt kunnen zijn met ecoline-achtige verf, aquarel. Ik bedank hem hartelijk. Dat wuift hij weg. 
“Graag gedaan. Het is als dank voor de ruimtes. Je hebt er toch maar heel veel plezier van dat je altijd zo’n mooie ruimte kunt gebruiken. Het is helemaal niet raar om een keer wat leuks te geven.”

Zijn ruimte bevalt hem goed. “Enorm. Ik woon hier om de hoek, dus ik ben er zo. Als ik financieel meer zekerheid had, had ik het wel gehuurd. Maar je moet toch voorzichtig zijn. De huurprijs is duizend euro inclusief. Soms komen er potentiele huurders kijken. Er staan zoveel mooie dingen leeg hier, dat is mijn geluk. Waarschijnlijk vinden ze dan iets dat nog groter is, dat er nog mooier uitziet. Maar als het ophoudt, dan houdt het op. Dan brengen we alles naar de opslag en dan ga ik thuis aan de slag. Daar heb ik ook een atelier, daar kan ik als ik het heel warm heb in mijn boxershort aan de slag.” Hij lacht. Dan wijst hij naar buiten, naar de eindeloze grijze lucht. “Het uitzicht hier is ook heel mooi. Voor een klant heb ik daar een panorama van gemaakt van twee meter.”

Zijn klanten benaderen hem eigenlijk altijd zelf. Ook van mensen uit de buurt heeft hij al opdrachten gekregen.
“Soms blijft het even stil en dan denk ik: ik zal ik toch eens er op uit moeten gaan, maar tot dusver… “
Het verschilt per klant of hij vrij wordt gelaten in wat hij maakt. Soms willen mensen bepaalde kleuren, of een bepaald onderwerp, maar alles gebeurt in overleg. Een werk met felle kleuren, zoals hij ze vroeger maakte, zou hij niet meer zo snel doen. Maar in overleg met de klant kijkt hij wel graag hoe ver hij met een bepaald palet kan gaan. 
“Het palet waar ik nu veel mee werk bestaat uit vier kleuren: vermiljoen, zwart, wit en gele oker. Het is een heel oud palet en je kunt er ongelooflijk veel mee.”

Naast werk in opdracht maakt Donovan ook vrij werk. Hij loopt naar het schilderij van de dominee.  “Dit is behoorlijk autonoom. Het is wel voor de kerk, maar niet in opdracht van. Het is helemaal wat ik zelf wilde maken. Er komt ook een ander autonoom stuk aan, een vrij dramatisch zelfportret, waarbij ik een hele oude bijbel van mijn pleegouders vasthoud, getormenteerd. Dat was een periode dat ik een enorme worsteling had met God en met alles, erg dramatisch. Alles was even op zijn kop en ik dacht: dit gaat voorbij, maar ik moet het wel vastleggen, schilderen. Ik moet ook het broeierige van het geloof laten zien, het heftige.”

Zowel kunst als religie spelen een belangrijke rol in zijn leven. Ik vraag hem of hij het gevoel heeft een taak te hebben in dezen.  Dit wordt door hem beaamd. 
“Ja, enorm. Hanneke (zijn partner, red.) zei: ‘Je komt echt tot je bestemming.’ Ik vond dat zo mooi. Het is sowieso heel mooi om te denken dat je dat kan hebben en ik denk dat ik het in die zin ook mag hebben, ja. 
Maar wat heel essentieel is hierbij, is dat ik de eer niet zelf meer zoek. Ik was heel erg ik-gericht in mijn werk, zoals kunstenaars kunnen zijn. Maar ik haalde mijn identiteit uit mijn werk. Ik mocht er van mezelf alleen zijn, als ik iets moois maakte. Dat maakt je heel erg afhankelijk van de mening van anderen. Dat heb ik afgelegd. Het is een proces en ik ben er nog altijd mee bezig, maar dat lukt vrij goed. 
Als gelovig mens zeg ik nu: ik zie dat ik een talent gekregen heb, de eer gaat naar God, niet naar mij. En dat geeft rust, want het betekent dat ik ook fouten mag maken en als het niet perfect is, dan is dat maar zo. Ik ben ook een mooi mens zonder deze schilderijen.Er zit meer balans in het grote plaatje, door de worsteling heen.

“Vroeger had ik echt een nachtleven. Beetje uitgaan, ’s nachts painten... Maar dat leventje kost uiteindelijk veel meer energie. Veel kunstenaars leven heel chaotisch. Ze krijgen hun zaken niet voor elkaar, kunnen dingen niet terug vinden. Het is grote chaos in hun hoofd. Ik denk dat het voor kunstenaars heel belangrijk is om een agenda te hebben en structuur. Soms zeggen mensen: dat werkt niet voor mij, ik ben niet zo. Maar ik geloof daar niets van. Het is een kwestie van wennen. 
Ik sta elke dag om vijf uur op en kan dan zo´n dertien uur werken. ’s Ochtends ben je veel productiever. In het begin is het wel lastig, maar je went er aan.” 

Donovan weet niet meer precies hoe hij bij Zwerfkei terecht is gekomen. 
“Ik vermoed dat iemand heeft gezegd: ‘daar moet je gewoon eens naar binnen gaan.’ Ik vond jullie heel bekakt allemaal, want ik was zelf heel alternatief. Ik dacht: een stelletje VVD’ers daar, haha. Nee, dat viel wel mee. 
Ik heb nooit echt gekke dingen meegemaakt in Zwerfkeipanden. Op de Wiltzanghlaan was er wel het toiletmysterie. Elke keer dat wij het toilet schoonmaakte, was het direct daarna weer helemaal smerig, maar echt goor! Steeds als we het geboend hadden, was het meteen daarna totaal vies. Dat was raar. Waarom doen mensen dat? Wonderlijke wereld.
Ik zat ook nog op de Pampuslaan, dat was een ramp. Daar zaten twee oude mensen boven me, die geobsedeerd waren door de gedachte dat ik ‘s nachts aan het spuiten was. Terwijl ik er niet eens was ’s nachts. Die vrouw had last van haar longen en via een afvoer kwam betonstof bij haar in de woonkamer terecht. Zij dacht dat het spray was. Ik heb wel eens met haar gepraat en dat was heel gezellig, maar daarna begon ze weer, dan stuurde ze haar man op me af. Ik kon daar niet tegen, dus ik ben er weg gegaan. Dat was jammer, want het was een mooie ruimte. 

“Als ik geen plek meer zou hebben via Zwerfkei, zou dat geen grote ramp zijn. Ik heb thuis nog een plek waar ik kan schilderen. Alleen lakken, met vernis spuiten zou lastig worden. Dat kan ik thuis niet doen. Dat zou ik dan op het balkon moeten doen, met de terraskachel erbij. Het is lastig, maar niet onoverkomelijk. Ik red me altijd wel. 
Verhuizen is ook geen groot probleem. Ik ben handzaam. Als ik moet verhuizen, dan huren we een bus, daar laden we alles in en dan zetten we het in een box. Die heb je al voor dertig euro.

Panorama IJburg

“Ik zou wel heel graag in IJburg willen blijven. Het is hier mooi en ik woon in de buurt. Er staat veel leeg, dus ik hoop dat er ook in de toekomst weer wat voor me is. Er is hier veel leuks gaande. Ik zie dat straks ook helemaal voor me, als we kindjes hebben. Ik met een bolderkar op de fiets, dingen ondernemen hier in de buurt. Ik ben waarschijnlijk zo’n vader die er helemaal in op gaat en er dan veel te veel achteraan zit. Haha, ja ik ben benieuwd hoe dat straks gaat!”

Werk van Donovan vind je op zijn website of via zijn Facebook pagina.

woensdag 8 mei 2013

Goede doelen

Soms denkt men dat Zwerfkei Tijdelijk Beheer een stichting met ideële doelstellingen is, omdat we voor onze werkzaamheden op het vlak van huisvesting slechts een geringe vergoeding vragen. Dat is niet zo. Wij zijn een commercieel bedrijf. Evenwel voelen wij ons sociaal-maatschappelijk betrokken en daarom zetten we ons ook in voor doelen die ons als bedrijf geen financieel voordeel opleveren. Dit zien we toch als winst, maar dan op een ander vlak. 

Sinds een aantal jaar versturen wij met kerst geen kerstkaarten meer. Het geld dat we hier voorheen aan besteedden, vullen we aan met een substantieel bedrag en dit wordt aan een goed doel  gedoneerd. Daarnaast werken we mee aan andere projecten.

Omdat wij, als Zwerfkei, natuurlijk wel affiniteit hebben met stenen en bouwen, hebben we onlangs 100 steentjes gekocht als bijdrage aan de bouw van het Prinses Máxima Centrum. Met deze actie van KiKa wordt geld ingezameld voor de realisatie van het grootste kinderkankercentrum van Europa.
In dit centrum kunnen nationale en internationale toponderzoekers op dit gebied hun krachten bundelen op één locatie.  Dit is een belangrijke stap in de strijd tegen kinderkanker. We vinden het heel prettig dat we hierin iets kunnen betekenen.

Een andere organisatie waar we recent mee hebben samen gewerkt, is
ChildsLife International. ChildsLife zet zich wereldwijd in voor kinderen die in armoede leven. Er wordt praktische hulp geboden aan kinderen en de gemeenschap waarin zij leven, waarbij nauw wordt samengewerkt met lokale partners. Met name onderdak, eten, onderwijs en zorg zijn belangrijke speerpunten bij de hulp die wordt geboden.
Soms krijgen wij panden in beheer, waar door de vorige gebruiker spullen zijn achtergelaten. Het kan dan gaan om kasten, tafels, stoelen en dergelijke. ChildsLife kan deze zaken goed gebruiken voor nieuwe en bestaande projecten, bijvoorbeeld in Oost-Europa of Afrika. Wij bemiddelen waar mogelijk om meubilair een nieuwe, zinvolle bestemming te geven.
Zo wordt binnenkort een deel van het (aangepaste) meubilair van een voormalige mytylschool verscheept naar Burkina Faso, West Afrika, waar het een tweede leven krijgt op een beroepsschool op het platteland. Een ander deel zal worden gebruikt voor verschillende projecten in Kenia.
We willen in dit kader onze dank uitspreken voor DMO, die hiervoor toestemming heeft gegeven.

Ook al zijn wij geen ideële stichting, we hebben wel idealen. Ook als bedrijf dragen we graag ons steentje bij aan een betere wereld. 

vrijdag 15 juni 2012

Maak kennis met...

In Amsterdam staat veel leeg. Het gaat om panden waar voor kortere of langere periode geen invulling voor is. Om de risico's van leegstand te vermijden, schakelen pandeigenaren Zwerfkei in om verantwoordelijke tijdelijke beheerders in deze panden te plaatsen. Graag stellen we een aantal van hen aan je voor.
Maak kennis met Job Romijn.

Ik ontmoet Job in zijn woonruimte op 
de bovenste verdieping van het voormalige gemeentearchief in de Diamantbuurt. Oorspronkelijk was dit het raadhuis van de gemeente Nieuwer Amstel (tegenwoordig Amstelveen), maar mettertijd werd het door Amsterdam opgeslokt. Het imposante gebouw, dat aan de voorzijde uitkijkt over de Amstel, biedt momenteel onderdak aan een aantal creatieve ondernemingen en daarnaast dus aan Job. Hij woont op de zolder, in een grote ruimte die ook dienst doet als werkplek. 

Ik vraag hem naar zijn bezigheden.

“Ik doe veel verschillende dingen. Ik ben eigenlijk een innovatieve probleemoplosser. Ik help mensen met allerlei problemen, in allerlei situaties. Dat komt een beetje voort uit het gegeven dat ik niet zo van zekerheid, van voorspelbaarheid houd. Ik noem dat sleur.”
Antikraak is dan ook echt wat voor Job. Toen hij eenmaal in een ongewoon pand had gewoond (een voormalig bankgebouw), was hij verkocht. 
“Toen heb ik meteen gezegd: ‘Doe mij voortaan maar rare panden. Ik wil geen woonhuis meer.’ Ik vind het helemaal geweldig. Je kan de dingen zelf indelen. In dit soort ruimtes bijvoorbeeld...” Hij maakt een wijds armgebaar. “In zo’n grote ruimte kun je zelf bepalen hoe of wat. Terwijl een woonhuis meestal een vaste indeling heeft. Sommige mensen willen per se een goede douche en een badkamer en een keuken. Dat vind ik allemaal minder belangrijk.”

De verzameling koffers is een handige verhuishulp.
Job helpt zogezegd mensen. Desgevraagd licht hij dit toe.
“Ik help alles en iedereen. Particulieren leveren meestal geen geld op, dus af en toe help ik een bedrijf. Daarmee verdien ik dan geld en kan ik weer allerlei andere dingen doen.”
Zijn laatste opdracht was voor een bedrijf dat zich bezighoudt met natuursteen. Dit bedrijf klopte in januari bij hem aan met de vraag een weggevertje te bedenken voor op een beurs. Hij ging met hen in gesprek en al snel bleek dat Job nog veel meer voor ze kon betekenen. Hij bedacht, naast het weggevertje, 
een manier van presenteren die beter aansluit bij de klant en hielp bij het ontwerp van de standVoor de afgelopen Provada schakelde het bedrijf Job opnieuw in om mogelijke problemen voortijdig te tackelen. Daarnaast bedacht hij een nieuwe slogan die beter past bij de identiteit van het bedrijf en stond zelf klanten te woord op de beurs.

Ik ben benieuwd of Job veel connecties heeft die hij voor dit soort klussen aan kan spreken.
“Ik ben eigenlijk een soort uitvinder en als ik geen opdracht heb, ben ik aan het rondkijken, dingen aan het verkennen en aan het ontdekken. Ik ben altijd wel op zoek naar iets voor één of ander project.  Een technisch dingetje dat dan weer niet bestaat of niet te vinden is. Maar dan kom ik allerlei dingen tegen die er op lijken. Op het moment dat ik dan zo’n vraag krijg van een bedrijf, weet ik wel waar ik moet zijn.”
Oude postzakken doen dienst als zitzak.

Job is dus uitvinder. Ik vraag hem hoe hij dat zo is geworden. Hij vertelt dat hij afgestudeerd is aan de TU Delft in Hoogspanningstechniek. (“Dat vond ik ook heel leuk, lekker in zo’n laboratorium met bliksem spelen.”) Dat wereldje bleek echter niets voor hem: het was hem te rustig en vernieuwing kwam te langzaam.
Job was altijd al bezig met allerlei projecten, concepten aan het uitdenken. Hij wilde graag iets met die creativiteit doen, maar wist niet goed wat. Hij ging op zoek naar een bedrijf dat hem om zijn creativiteit in dienst wilde nemen, maar omdat hij zijn kunnen nog niet echt kon aantonen, bleek dat lastig. Hij begon boekjes bij te houden met ideeën en bouwde een portfolio op. Vervolgens werd hij gelijktijdig aangenomen op de Design Academy, voor de master Experience Design, op de Hallo Academie voor conceptdenken en communicatie en op de Rietveld Academie.
Dus toen had ik de keuze. Ik kon geen bedrijven vinden waar ik mijn ei kwijt kon, want die vond ik allemaal te "bedrijvig" en te weinig klantgericht. Totaal niet creatief, dat viel me erg tegen. Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen om tegelijkertijd de Hallo Academie en het Rietveld oriëntatiejaar te gaan doen. Dat is erg goed bevallen.

Na dit jaar werkte hij in eerste instantie vooral als kunstenaar.
“Ik maakte echt van alles. Had heel veel ideeën, bedacht concepten en soms werkte ik dat uit. Maar uiteindelijk kwam ik er achter dat wanneer ik iets moois maak, ik dat ook ergens moet ophangen of neerzetten en de ruimte waarin vind ik heel vaak niet mooi. Alles er omheen vind ik lelijk. Dat moet dan allemaal veranderd worden, om het meer mijn ding te maken. Lelijke dingen worden nog lelijker als je er iets moois naast zet. Dat ging me irriteren. Ik bedacht dat ik eerst al die dingen moet veranderen, pas dan kan ik weer het verhevene gaan maken. 'Zinloze' kunst. Dus daar ben ik nu mee bezig, ik ben alles wat je dagelijks nodig hebt aan het veranderen; versimpelen en daarmee essentiëler en dus mooier maken.

Vanuit zijn ruimte kijkt Job uit op de klokkentoren.
Nieuwsgierig naar Job’s geschiedenis bij Zwerfkei, vraag ik hem hoe hij bij ons  terecht gekomen is. Hij vertelt dat hij samenwoonde, maar dat de relatie op een gegeven moment spaak liep: één van hen moest het huis uit. Job had al antikraak gewoond en was wel toe aan wat avontuur. Hij stapte binnen bij een makelaar en vroeg met welk antikraakbureau het bedrijf werkte. Men verwees hem door naar Zwerfkei. Hij ging op gesprek en kreeg snel een woning toegewezen.
“Dat was aan de Waldeck Pyrmontlaan. Het was net voor kerst en er moest maar vijf weken op de woning gepast worden voor de nieuwe eigenaren. Die waren bang dat er tussen Kerst en Oud & Nieuw misschien problemen zouden komen. Er zat niets in de woning, alleen een badkamer. Ik heb wat spullen gepakt; een matras, een stoel en een tafel, zoals dat officieel hoort en ben er direct naartoe verhuisd. Een verademing, zo'n leeg huis!
Na dit huis kwam ik terecht in een bankgebouw aan de Herengracht. Helemaal fantastisch! Marmeren vloer, tromp-l’oeil schilderij in de gang, alsof er een tweede gangetje zat, een schuilbunker in de tuin. Ik zat op een verdieping van voor tot achter, ik had zo'n 200 vierkante meter aan de gracht. Geweldig!”

Toch is dit bankgebouw voor Job niet het mooiste pand dat hij heeft bewoond. Dat is namelijk het Nieuwe de la Mar Theater, waar hij een paar maanden woonde voor het verbouwd werd. Hij gebruikte de voormalige artiesteningang als entree en via een raar gangetje kwam hij dan in zijn woonruimte: de theaterzaal. Die was nog helemaal intact, compleet met podium, stoelen en gordijnen. Midden op het podium stond zijn bed. Hij noemt het de meest fantastische ruimte ooit.
“Het grappige is: je gaat je ook anders gedragen. Je voelt je op de een of andere manier toch een beetje bekeken. Je wordt je nog bewuster van de manier waarop je dingen doet. Dat paste heel goed bij mij op dat moment, het voelde nooit gek.”

Job maakte wel vreemde dingen mee in het pand. Zo hoorde hij eens een soort spook. Op een hoogte waar dat eigenlijk niet kon, omdat er niets zat, alleen lucht, nam hij gebonk waar. Ook maakte hij kennis met een Amsterdamse dakenklimmer.

Job bekleedde wat wanden met wit camouflagenet.
“Ik zag 's nachts een man op het dak en dacht eerst dat hij wilde inbreken in het American Hotel erachter, maar hij had helemaal niets bij zich. Ik maakte een foto van hem en was de politie al aan het bellen, toen hij over de daken en via een noodtrap naar beneden verdween. Drie maanden later woonde ik in het hotelletje waar die noodtrap bij hoorde. Ik kwam een keer thuis en zag op straat diezelfde man lopen, in exact dezelfde kleren. Ik zette snel mijn spullen weg en ging achter hem aan. Ik dacht dat hij café De Smoeshaan in ging, maar daar bleek hij niet te zijn. Het barpersoneel had hem ook niet gezien. Maar ik wist: hij is daar ergens! Ik wilde weten hoe het zat. Ik ben terug gegaan naar het hotel en heel stilletjes, zonder de lichten aan te doen, door de achterdeur de noodtrap op gegaan. Ik hoopte de man op het dak te zien en zo te achterhalen wat hij nou aan het doen was. Een paar minuten later hoorde ik ineens: “kloenk kloenk kloenk”. Voetstappen op de noodtrap! Er kwam iemand omhoog richting het dakje waar ik op stond. Op dat moment kon ik niet meer stilletjes weg. Er kwam iemand boven en het bleek die man te zijn. Ik stak mijn hand naar hem uit en zei: ‘Hallo, ik ben Job.’ Hij viel bijna van de trap van schrik, maar stelde zich ook aan mij voor. We raakten aan de praat en hij legde uit wat hij hier nou eigenlijk deed. Het bleek dat hij door heel Amsterdam voor zijn plezier op daken klimt, omdat hij graag het hoogste punt van gebouwen opzoekt. Interessant vond ik dat.
Later zat ik eens op het terras van De Smoeshaan een vriendin over dit voorval te vertellen en terwijl ik met mijn verhaal bezig was, kwam hij weer langs lopen. Dat was erg grappig. Het zijn de avonturen die het leuk maken.”

Op sommige delen van de zolder waan je je in een molen.
Dat Job van avontuur houdt, blijkt ook wel uit de panden die hij nog op zijn verlanglijstje heeft staan. Zo zou hij graag nog eens in een bunker wonen. Omdat ze onverwoestbaar zijn, op rare plekken staan en je een panoramisch, maar gekaderd uitzicht hebt door de schietgaten en observatiespleten. Zou zo’n ruimte hem niet beklemmen?
“Nee. En anders zou ik er gewoon een kas naast bouwen, dan heb je een donkere en een lichte ruimte.”
Ook een schip en een kerk spreken hem wel aan. Eigenlijk is hij wel te porren voor elk ongewoon pand, ook als er weinig voorzieningen zijn. Daar schuilt dan weer de uitdaging in.
“In de panden waar ik woonde, was de verwarming vaak oud en regelmatig stuk, dus ik ben wel wat gewend. Een douche is wel fijn, maar ook een periode zonder douche is te overbruggen. Ik heb in het pand hiernaast gezeten en dat is een monument, dus er mag niet zomaar iets veranderd worden. Het zou maar drie maanden duren en voor die korte tijd werd geen douche geplaatst. Ik was toen twee keer per week bij een duikvereniging, een keer per week in buitenwater en ik zat veel bij vrienden, dus dat ging wel een tijdje.  Maar op een gegeven moment, toen het langer duurde, heb ik wel een nooddouche gemaakt met een drukvat, zodat ik in ieder geval iets kon. Douchen is toch wel een heel prettige activiteit.”
Ondanks zijn flexibiliteit, vindt Job de onzekerheid wel een nadeel als hij op vakantie gaat. Als je naar het buitenland vertrekt hoop je dat je niet tijdens je vakantie hoeft te verhuizen. Dan moet je of terugkomen, of vrienden inschakelen. Ook noemt hij onaangekondigde bezoekjes van makelaars, die in het verleden wel eens voorkwamen, onprettig. Maar de nadelen wegen voor hem niet op tegen de voordelen.

Aangezien Job inmiddels een doorgewinterde antikraker is, ga ik ervan uit dat hij een slim systeem heeft bedacht voor het verhuizen. Hij beaamt dit. Wijst naar zijn meterslange bureau/tafel.
“Ja, kijk: de tafelbladen (van karton – red.) zijn superlicht. De bakken waar ze op leunen zijn eigenlijk al ingepakt. Als ik ga verhuizen, hoef ik er alleen nog maar een spanband overheen te doen. Voor mijn kleren heb ik een paar hele grote tassen. Ik pak alles van het rek en gooi het in die tassen. Die rekken schroef ik uit elkaar met een paar vleugelmoertjes. Ik probeer alles gewoon zo licht en verhuisbaar mogelijk te maken. Het regelmatige verhuizen helpt mij om alles lean and mean te houden, ik sjouw geen onnodige ballast mee.
Sommige mensen wel, hoor! Ik heb mensen gezien die op de Keizersgracht eikenhouten bankstellen naar de vierde verdieping gingen slepen, koelkasten van twee meter hoog, wasmachines... Ik stond er echt met verbazing naar te kijken. 
Sommige mensen haken snel af bij antikraak. Het verhuizen en makelaars die langskomen vinden ze onhandig. Het vraagt natuurlijk ook wel wat flexibiliteit. Er is altijd wel iets onhandigs aan zo'n pand en er zijn lekkages en storingen aan installaties zoals verwarming, elektriciteit, brandmelder, etc. Dus je moet echt een beetje verantwoordelijkheidsgevoel hebben en problemen signaleren, melden en/of zelf oplossen. Als je dat niet leuk vindt, kun je beter geen antikraak doen.
Bij een groot pand komt een grote sleutelbos.
Ik vraag Job hoe belangrijk de ruimte voor hem is.
“Erg belangrijk. Veel mensen hebben behoefte aan zoveel mogelijk mensen om zich heen, die zoeken dat ook op. Ik heb dat af en toe, maar ik heb soms de behoefte me even helemaal terug te trekken. Dan vind ik zo’n grote ruimte als dit echt geweldig. Je kunt van alles doen, zonder dat je je opgesloten voelt en dat is eigenlijk hetgeen ik het meeste waard vind. Soms woon je wel eens in een hele kleine ruimte, maar als je dan een beetje uitzicht hebt, vind ik het ook prima. De ruimte moet èrgens zitten. Binnen of buiten, dat maakt niet uit. Maar je moet hem kunnen zien en daardoor ervaren. Als dat kan, ben ik helemaal blij. En ik vind het ook leuk om helemaal boven in panden te zitten. Dan ontstijg je toch een beetje het alledaagse gedoe. Het is hetzelfde als je met een bootje over de grachten vaart. Het is een heel andere dimensie qua snelheid. Op straat moet je goed opletten, er gebeurt van alles, er is veel herrie, het is druk. Als je op het water zit, is het allemaal veel rustiger. Je ziet wel alles, maar je ziet de dingen op een andere manier. Dat heb je ook als je hoog woont. Dan beweegt alles van meer afstand en dus trager. Dat is erg mooi.”

Job geeft me tot slot nog een rondleiding over de verdieping. Over avontuur gesproken! We gaan een deur door en komen uit op een klein halletje, waar een douche staat. Tussen de douche en de wand zit een kier, waar we doorheen gaan. We komen terecht in een lage ruimte vol buizen en pijpen. Het ronkt en bromt er, het ruikt stoffig en een beetje naar machines. Ik kan hier, met mijn 1.60 meter, net niet rechtop staan. Voor Job, die twee meter lang is, is het dus nog een stuk lastiger om zich voort te bewegen. Halverwege de ruimte, aan de rechterkant, zit een deur. Job opent hem en het daglicht stroomt naar binnen. Tot mijn verbazing staan we ineens aan een dak. Rechts kijken we vanuit de buitenkant op Jobs ruimte, aan de linkerkant zie we in de hoogte de klokkentoren van het pand. Prachtig! 

A room with a view...
We gaan weer naar binnen en vervolgen onze weg tussen de buizen. Aan het einde van het vertrek zit weer een deur, ditmaal een ouderwetse van zwart geschilderd metaal, die opent met een grote metalen hendel. We komen in een grotere, hogere ruimte met veel hout: houten wanden, houten balken en houten trappetjes. Het doet denken aan het interieur van een molen. We klimmen een ladder op en lopen over een ongelijke vloer naar het andere einde van het pand. Geregeld moeten we bukken voor dikke dwarsbalken. We komen opnieuw bij een trap en beklimmen deze. Hij komt uit op een klein en donker rond plateautje, waar we nogmaals een ladder vinden, hoger en steiler dit keer. Wederom klimmen we naar boven en nu komen we terecht in een nog kleinere ronde ruimte. We bevinden ons nu in de klokkentoren. De klok, die zich boven ons hoofd bevindt, slaat op dat moment drie keer. In het zachte bruine hout rondom zijn talloze namen en jaartallen gekrast door mensen die ons voorgingen. Maar het mooiste moet nog komen. Job schuift een klein raampje vanaf de vloer een stukje omhoog en zo kunnen we de smalle balustrade om de toren op. Voorzichtig klimmen we naar buiten en dan blijken we ons tientallen meters boven alles in onze omgeving te bevinden. Het uitzicht is adembenemend. Ik kijk naar beneden, naar de kleine mensjes op straat, de miniatuurfietsjes en Madurodam-autootjes. Het is een beetje onwerkelijk en alles daar beneden schijnt erg ver weg. Het klopt, wat Job zegt: het lijkt inderdaad allemaal wat langzamer te gaan. En het is mooi. Heel mooi.

Contact met Job? 
http://www.bedenker.com/