dinsdag 24 september 2013

Maak kennis met...

In Amsterdam staat veel leeg. Het gaat om panden waar voor kortere of langere periode geen invulling voor is. Om de risico's van leegstand te vermijden, schakelen pandeigenaren Zwerfkei in om verantwoordelijke tijdelijke beheerders in deze panden te plaatsen. Graag stellen we een aantal van hen aan je voor. 
Maak kennis met Donovan Spaanstra.


Ik word hartelijk door Donovan ontvangen in zijn atelier. De ruimte 
-eigenlijk een winkel- bevindt zich in IJburg, Haveneiland West. Een aantal hoge ramen laat veel licht binnen en biedt een indrukwekkend wijds uitzicht over het IJ. Rechts in het vertrek staat een vijftal schilderijen op ezels. “Om je een idee te geven,” zegt Donovan lachend.

Hij heeft een stadsgezicht opgesteld, een zelfportret, twee portretten van zijn partner en een groot paneel, ook een portret, van de dominee van zijn kerk. Aan het laatste werkt hij ten tijde van dit interview, voor een kerkelijk evenement. 

We hebben het naar aanleiding van zijn selectie over zijn onderwerpkeuze en het contrast tussen alledaagse onderwerpen en een klassieke uitvoering. Zo heeft hij zijn partner geschilderd op Vermeerachtige wijze, met hoog opgestoken krullen en een mysterieuze blik, met in haar handen een Ipad. “Ja,” zegt hij, “dat is wat ik doe. Ik schilder het tijdloze van nu.”

Donovan is begonnen en bekend geworden als graffiti-artiest. Hij maakte onder andere portretten van Majoor Bosshardt en Theo van Gogh, exposeerde in allerlei musea, werkte in opdracht van gemeenten, bedrijven, evenementen en clubs en nam deel aan diverse televisie-uitzendingen. 
Hij vertelt: “Ik zit in een overgangsfase.” Hij wijst naar één van zijn werken. “Hier zit spuitbus in, maar ik heb ook veel met acryl gewerkt, in een squizer. Dat komt uit de graffitiwereld, het is ontwikkeld om te taggen. Ik kom natuurlijk uit die wereld, dus ik ken die producten erg goed. Veel van wat je hier ziet, is spuitbus in combinatie met squizer. Maar langzaam wordt het wat meer... Groei ik wat. Spray is wel leuk hoor, maar zo grof in vergelijking, heel hard.”
De portretten zijn gedetailleerd en sprankelend, haast alsof er leven in zit. Wanneer ik dat benoem, bedankt hij bescheiden.
“Puur spray, dat trekt me niet meer. Ik gebruik het steeds minder, hoewel ik zie dat het ook wel mooi kan zijn. Vannacht kon niet slapen, omdat ik nog erg in mijn paneel zat.” Hij wijst naar het portret van de dominee. “Het klopte nog niet, het leefde niet en toen heb ik er een klein beetje op gespetterd met de spuitbus -je kan er heel mooi mee spetteren- en daar komt het dan wel door los.

“Ik raak steeds meer geïnteresseerd in olieverf en kwasten. Vroeger hield ik daar helemaal niet van. Op de academie had ik er een sterke aversie tegen. Ik werd overdonderd door wat daarmee allemaal al was gedaan, honderden jaren lang, vanaf de gebroeders Van Eyk in de vijftiende eeuw. ´Daar kan ik niet tegen op´, dacht ik, ´ik moet het met mijn spuitbussen doen.´ Maar mijn verlangen naar steeds briljantere beelden groeide…”

Met briljant bedoelt Donovan in dit geval licht, hij zoekt steeds meer licht in zijn werk. Geïnspireerd door de werken van zeventiende eeuwse meesters zoals Gerard Dou en Rembrandt, ging hij op zoek naar fonkeling in zijn werk. 
“Wat zij vroeger uit verf haalden, wilde ik met de spuitbus bereiken. Maar dat redt je niet, omdat het te grof is. Met allerlei kunstgrepen ga je dan een werk in elkaar zetten, maar dat is zo zwaar! Ik werk met mijn handen, met wattenstokjes, schuurpapier, het is immens. Ik ben tien, elf uur per dag aan het werk en dan ben ik helemaal op. Terwijl ik weet: als ik de techniek van olieverf beheers, kan ik hetzelfde in een paar uur.” 
Ik vraag hem naar de mogelijkheden. Krijgt hij met olieverf dezelfde levendigheid die hij met spray in zijn werken legt? Donovan lacht en zegt dat hij met olieverf juist veel verder kan gaan.
“Er zit een limiet aan acryl. Olieverf heeft zo’n rijk pigment, daarmee krijgt het veel meer gloed, veel meer diepte. Ik wil dat het matte uit mijn werk verdwijnt.

“Licht is een wonder, in die zin ben ik een traditioneel kunstenaar, net als een fotograaf. Licht maakt leven. Licht is fonkeling, is tinteling. Het laat beelden tot leven komen. Ik kan me niet voorstellen dat ik alleen maar platte dingen zou maken, alleen maar lijnenwerk.
Vroeger heb ik wel abstracte dingen gedaan. Stipjes op containers geplakt bijvoorbeeld. Dat is nota bene nog in een catalogus terechtgekomen van het GEM, het Haags gemeentemuseum. Maar het is niet wie ik echt ben, dus ik heb het daarna nooit meer gedaan. Het was een lolletje. 
Al die dingen... ik zou er misschien nog wel bekend mee kunnen worden, maar je moet doen wat je het allerliefst ligt. Dat zegt niet dat ik abstracte schilderkunst niet kan waarderen, ik vind sommige colorful painters heel interessant. Mark Rothko.  Het is niet dat ik daar de ogen voor sluit. Maar je moet ontdekken waar je eigen talenten liggen. 

“Ook de kwast ben ik meer gaan waarderen. Ik begon met brushstiften te werken en toen was de overgang naar een echte kwast niet zo groot. Nu pas begint de wondere wereld van de penseel voor me te leven. Marterhaar, dashaar, runderhaar, de verschillende hardheden… Het is geweldig! De angst die ik ervoor had begint te verdwijnen.
Mijn onzekerheid is weg. Het klinkt wat aanmatigend misschien, maar ik durf mezelf nu tussen mensen te zetten, waarvan ik vroeger dacht dat ik hun niveau nooit zou kunnen evenaren. Ik weet nu dat ik het wèl kan. Ik hoef er niet meer tegen op te boksen, anderen bepalen niet langer hoe ik schilder. Als je jonger bent, is dat nog allemaal behoorlijk heftig.”

Zelfportret 2002
Commercieel gezien heeft Donovan wel getwijfeld aan deze ontwikkeling. Hij is erg goed met de spuitbus, zijn werk origineel. Moet je daar dan vanaf stappen? Ja, vind hij, want hij moet eerlijk zijn naar zichzelf. 
“Ook als dat betekent dat ik dan minder origineel ben en tienduizend concurrenten heb. Ook omdat ik ervan overtuigd ben dat ik mijn eigen manier van uitdrukken heb, zowel in onderwerpkeuze als in manier van schilderen. Uiteindelijk gaat het de klant denk ik om het beeld en niet om het materiaal. 
Het is een hele interessante overgang. 
Misschien heb ik het ook wel verleerd. Het spuiten moet je echt bijhouden. Net als graffiti, letters enzo. Dat kost me nu veel moeite, terwijl ik het zo lang deed. Als ik het nu doe, moet ik er echt over nadenken.”

Heeft hij zijn interesse in graffiti dan verloren, nu hij andere technieken meer waardeert?  Dit ontkent hij.
“Het is gewoon iets anders. Toevallig las ik vanochtend een boek over jaren ‘80 graffiti, dat is natuurlijk helemaal mijn periode, ik zat er midden in. Maar de beelden die ik zo goed kende, zie ik nu met de ogen van een schilder. Ik kan het niet meer zien zoals toen. Ik heb geleerd kleuren te dempen en dan is dat ineens: BAM! 
Van de ene kant vind ik het heel grappig: laat het allemaal maar lekker knallen, maar… ik vind het plat. Je verandert, je ontwikkelt en je kan ook niet meer terug. Als je iets heel lekkers hebt geproefd, neem je geen genoegen meer met minder. Ik heb geproefd hoe het kan zijn.“

Hij loopt naar het portret van de dominee, wijst. “Dit stukje was zo’n kick, daar voelde ik gewoon dat er iets in kwam en ik wist hoe ik die flikkering in de huid kon krijgen. Dit zijn eigenlijk hele grove vlekjes, het zijn maar stippeltjes, maar als je naar achter loopt… Dan trekt het strak en het fonkelt, het geeft licht. Het is 3D, zacht en doorschijnend. Zoals bij de zeventiende eeuwse schilders. Dat is zo mooi! Als je dan kijkt naar het impressionisme of fauvisme, dat heeft allemaal dat platte. Het mist de diepte, maar die is juist zo fantastisch.

“Toen ik mijn schilderen ontwikkelde, kwam ik erachter dat mijn eigen onderwijs tekort heeft geschoten. In het kunstonderwijs vanaf de jaren ‘50 of ‘40 van de vorige eeuw is tekenen er langzaam helemaal uit gedonderd. Wat erg jammer is, want ze konden tekenen vroeger!
Daarvoor in de plaats is een meer autonome manier van werken gekomen, conceptueel denken. Het idee is belangrijk. Jonge mensen moeten origineel zijn. Leraren die konden tekenen werden geweerd, omdat dat ouderwets zou zijn, archaïsch. 
Er zijn behoorlijk wat mensen die macht hebben in de kunstwereld, die over mijn werk zeggen: dit is knap, maar toch is het kitsch. Daar ben ik me van bewust, dat dat zo wordt gezien, maar ik moet toch mezelf zijn.”

Ik wil graag weten wat de overgang van het grovere spuitwerk naar het verfijnde realisme in gang heeft gezet. Donovan vertelt dat hij al lang geïnteresseerd is in realisme. Vanaf 1991 studeerde hij aan de Kampen Academie. Hij was een ‘graffiti-jongen’, maar besloot desondanks dat hij moest kunnen tekenen. 
“Ik wilde niet een typische graffiti-schrijver op de academie zijn, die strippoppetjesachtige dingen maakt.” 
Hij tekende veel zelfportretten en trainde zichzelf. Daarna maakte hij van alles: portretten, stadsgezichten, stillevens, veelal met hele felle kleuren. 
“Ik verkocht er goed mee, maar ik ben het niet. Ik zou dat ook niet meer doen, die gekke kleuren.”
Hij laat wat tekeningen zien. Ik vind ze prachtig. Heel sprekend en, mijns inziens, juist door die kleuren ook behoorlijk spannend.  Maar Donovan identificeert zich er niet meer mee. Het is grappig om te zien, maar alles in het beeld vraagt aandacht en dat irriteert hem nu. Nu dempt hij kleur liever, met een paar accenten die er toe doen. Zijn vroegere werk vind hij bizar, qua kleur.

Terwijl we door de stapel met tekeningen gaan, vraagt hij of op het kantoor van Zwerfkei kunst hangt. We hebben een aantal werken hangen van kunstenaars, die via ons een werkruimte hebben (gehad). Donovan biedt me direct een tekening naar keuze uit de stapel aan, om op te hangen. Leuk! En moeilijk, want er zit veel tussen dat mooi is. Uiteindelijk kies ik voor een tekening van de Dam, gemaakt met Chinese brushmarkers in allerlei grijstonen. Dat zijn stiften, maar het zou ook gemaakt kunnen zijn met ecoline-achtige verf, aquarel. Ik bedank hem hartelijk. Dat wuift hij weg. 
“Graag gedaan. Het is als dank voor de ruimtes. Je hebt er toch maar heel veel plezier van dat je altijd zo’n mooie ruimte kunt gebruiken. Het is helemaal niet raar om een keer wat leuks te geven.”

Zijn ruimte bevalt hem goed. “Enorm. Ik woon hier om de hoek, dus ik ben er zo. Als ik financieel meer zekerheid had, had ik het wel gehuurd. Maar je moet toch voorzichtig zijn. De huurprijs is duizend euro inclusief. Soms komen er potentiele huurders kijken. Er staan zoveel mooie dingen leeg hier, dat is mijn geluk. Waarschijnlijk vinden ze dan iets dat nog groter is, dat er nog mooier uitziet. Maar als het ophoudt, dan houdt het op. Dan brengen we alles naar de opslag en dan ga ik thuis aan de slag. Daar heb ik ook een atelier, daar kan ik als ik het heel warm heb in mijn boxershort aan de slag.” Hij lacht. Dan wijst hij naar buiten, naar de eindeloze grijze lucht. “Het uitzicht hier is ook heel mooi. Voor een klant heb ik daar een panorama van gemaakt van twee meter.”

Zijn klanten benaderen hem eigenlijk altijd zelf. Ook van mensen uit de buurt heeft hij al opdrachten gekregen.
“Soms blijft het even stil en dan denk ik: ik zal ik toch eens er op uit moeten gaan, maar tot dusver… “
Het verschilt per klant of hij vrij wordt gelaten in wat hij maakt. Soms willen mensen bepaalde kleuren, of een bepaald onderwerp, maar alles gebeurt in overleg. Een werk met felle kleuren, zoals hij ze vroeger maakte, zou hij niet meer zo snel doen. Maar in overleg met de klant kijkt hij wel graag hoe ver hij met een bepaald palet kan gaan. 
“Het palet waar ik nu veel mee werk bestaat uit vier kleuren: vermiljoen, zwart, wit en gele oker. Het is een heel oud palet en je kunt er ongelooflijk veel mee.”

Naast werk in opdracht maakt Donovan ook vrij werk. Hij loopt naar het schilderij van de dominee.  “Dit is behoorlijk autonoom. Het is wel voor de kerk, maar niet in opdracht van. Het is helemaal wat ik zelf wilde maken. Er komt ook een ander autonoom stuk aan, een vrij dramatisch zelfportret, waarbij ik een hele oude bijbel van mijn pleegouders vasthoud, getormenteerd. Dat was een periode dat ik een enorme worsteling had met God en met alles, erg dramatisch. Alles was even op zijn kop en ik dacht: dit gaat voorbij, maar ik moet het wel vastleggen, schilderen. Ik moet ook het broeierige van het geloof laten zien, het heftige.”

Zowel kunst als religie spelen een belangrijke rol in zijn leven. Ik vraag hem of hij het gevoel heeft een taak te hebben in dezen.  Dit wordt door hem beaamd. 
“Ja, enorm. Hanneke (zijn partner, red.) zei: ‘Je komt echt tot je bestemming.’ Ik vond dat zo mooi. Het is sowieso heel mooi om te denken dat je dat kan hebben en ik denk dat ik het in die zin ook mag hebben, ja. 
Maar wat heel essentieel is hierbij, is dat ik de eer niet zelf meer zoek. Ik was heel erg ik-gericht in mijn werk, zoals kunstenaars kunnen zijn. Maar ik haalde mijn identiteit uit mijn werk. Ik mocht er van mezelf alleen zijn, als ik iets moois maakte. Dat maakt je heel erg afhankelijk van de mening van anderen. Dat heb ik afgelegd. Het is een proces en ik ben er nog altijd mee bezig, maar dat lukt vrij goed. 
Als gelovig mens zeg ik nu: ik zie dat ik een talent gekregen heb, de eer gaat naar God, niet naar mij. En dat geeft rust, want het betekent dat ik ook fouten mag maken en als het niet perfect is, dan is dat maar zo. Ik ben ook een mooi mens zonder deze schilderijen.Er zit meer balans in het grote plaatje, door de worsteling heen.

“Vroeger had ik echt een nachtleven. Beetje uitgaan, ’s nachts painten... Maar dat leventje kost uiteindelijk veel meer energie. Veel kunstenaars leven heel chaotisch. Ze krijgen hun zaken niet voor elkaar, kunnen dingen niet terug vinden. Het is grote chaos in hun hoofd. Ik denk dat het voor kunstenaars heel belangrijk is om een agenda te hebben en structuur. Soms zeggen mensen: dat werkt niet voor mij, ik ben niet zo. Maar ik geloof daar niets van. Het is een kwestie van wennen. 
Ik sta elke dag om vijf uur op en kan dan zo´n dertien uur werken. ’s Ochtends ben je veel productiever. In het begin is het wel lastig, maar je went er aan.” 

Donovan weet niet meer precies hoe hij bij Zwerfkei terecht is gekomen. 
“Ik vermoed dat iemand heeft gezegd: ‘daar moet je gewoon eens naar binnen gaan.’ Ik vond jullie heel bekakt allemaal, want ik was zelf heel alternatief. Ik dacht: een stelletje VVD’ers daar, haha. Nee, dat viel wel mee. 
Ik heb nooit echt gekke dingen meegemaakt in Zwerfkeipanden. Op de Wiltzanghlaan was er wel het toiletmysterie. Elke keer dat wij het toilet schoonmaakte, was het direct daarna weer helemaal smerig, maar echt goor! Steeds als we het geboend hadden, was het meteen daarna totaal vies. Dat was raar. Waarom doen mensen dat? Wonderlijke wereld.
Ik zat ook nog op de Pampuslaan, dat was een ramp. Daar zaten twee oude mensen boven me, die geobsedeerd waren door de gedachte dat ik ‘s nachts aan het spuiten was. Terwijl ik er niet eens was ’s nachts. Die vrouw had last van haar longen en via een afvoer kwam betonstof bij haar in de woonkamer terecht. Zij dacht dat het spray was. Ik heb wel eens met haar gepraat en dat was heel gezellig, maar daarna begon ze weer, dan stuurde ze haar man op me af. Ik kon daar niet tegen, dus ik ben er weg gegaan. Dat was jammer, want het was een mooie ruimte. 

“Als ik geen plek meer zou hebben via Zwerfkei, zou dat geen grote ramp zijn. Ik heb thuis nog een plek waar ik kan schilderen. Alleen lakken, met vernis spuiten zou lastig worden. Dat kan ik thuis niet doen. Dat zou ik dan op het balkon moeten doen, met de terraskachel erbij. Het is lastig, maar niet onoverkomelijk. Ik red me altijd wel. 
Verhuizen is ook geen groot probleem. Ik ben handzaam. Als ik moet verhuizen, dan huren we een bus, daar laden we alles in en dan zetten we het in een box. Die heb je al voor dertig euro.

Panorama IJburg

“Ik zou wel heel graag in IJburg willen blijven. Het is hier mooi en ik woon in de buurt. Er staat veel leeg, dus ik hoop dat er ook in de toekomst weer wat voor me is. Er is hier veel leuks gaande. Ik zie dat straks ook helemaal voor me, als we kindjes hebben. Ik met een bolderkar op de fiets, dingen ondernemen hier in de buurt. Ik ben waarschijnlijk zo’n vader die er helemaal in op gaat en er dan veel te veel achteraan zit. Haha, ja ik ben benieuwd hoe dat straks gaat!”

Werk van Donovan vind je op zijn website of via zijn Facebook pagina.

woensdag 8 mei 2013

Goede doelen

Soms denkt men dat Zwerfkei Tijdelijk Beheer een stichting met ideële doelstellingen is, omdat we voor onze werkzaamheden op het vlak van huisvesting slechts een geringe vergoeding vragen. Dat is niet zo. Wij zijn een commercieel bedrijf. Evenwel voelen wij ons sociaal-maatschappelijk betrokken en daarom zetten we ons ook in voor doelen die ons als bedrijf geen financieel voordeel opleveren. Dit zien we toch als winst, maar dan op een ander vlak. 

Sinds een aantal jaar versturen wij met kerst geen kerstkaarten meer. Het geld dat we hier voorheen aan besteedden, vullen we aan met een substantieel bedrag en dit wordt aan een goed doel  gedoneerd. Daarnaast werken we mee aan andere projecten.

Omdat wij, als Zwerfkei, natuurlijk wel affiniteit hebben met stenen en bouwen, hebben we onlangs 100 steentjes gekocht als bijdrage aan de bouw van het Prinses Máxima Centrum. Met deze actie van KiKa wordt geld ingezameld voor de realisatie van het grootste kinderkankercentrum van Europa.
In dit centrum kunnen nationale en internationale toponderzoekers op dit gebied hun krachten bundelen op één locatie.  Dit is een belangrijke stap in de strijd tegen kinderkanker. We vinden het heel prettig dat we hierin iets kunnen betekenen.

Een andere organisatie waar we recent mee hebben samen gewerkt, is
ChildsLife International. ChildsLife zet zich wereldwijd in voor kinderen die in armoede leven. Er wordt praktische hulp geboden aan kinderen en de gemeenschap waarin zij leven, waarbij nauw wordt samengewerkt met lokale partners. Met name onderdak, eten, onderwijs en zorg zijn belangrijke speerpunten bij de hulp die wordt geboden.
Soms krijgen wij panden in beheer, waar door de vorige gebruiker spullen zijn achtergelaten. Het kan dan gaan om kasten, tafels, stoelen en dergelijke. ChildsLife kan deze zaken goed gebruiken voor nieuwe en bestaande projecten, bijvoorbeeld in Oost-Europa of Afrika. Wij bemiddelen waar mogelijk om meubilair een nieuwe, zinvolle bestemming te geven.
Zo wordt binnenkort een deel van het (aangepaste) meubilair van een voormalige mytylschool verscheept naar Burkina Faso, West Afrika, waar het een tweede leven krijgt op een beroepsschool op het platteland. Een ander deel zal worden gebruikt voor verschillende projecten in Kenia.
We willen in dit kader onze dank uitspreken voor DMO, die hiervoor toestemming heeft gegeven.

Ook al zijn wij geen ideële stichting, we hebben wel idealen. Ook als bedrijf dragen we graag ons steentje bij aan een betere wereld. 

vrijdag 15 juni 2012

Maak kennis met...

In Amsterdam staat veel leeg. Het gaat om panden waar voor kortere of langere periode geen invulling voor is. Om de risico's van leegstand te vermijden, schakelen pandeigenaren Zwerfkei in om verantwoordelijke tijdelijke beheerders in deze panden te plaatsen. Graag stellen we een aantal van hen aan je voor.
Maak kennis met Job Romijn.

Ik ontmoet Job in zijn woonruimte op 
de bovenste verdieping van het voormalige gemeentearchief in de Diamantbuurt. Oorspronkelijk was dit het raadhuis van de gemeente Nieuwer Amstel (tegenwoordig Amstelveen), maar mettertijd werd het door Amsterdam opgeslokt. Het imposante gebouw, dat aan de voorzijde uitkijkt over de Amstel, biedt momenteel onderdak aan een aantal creatieve ondernemingen en daarnaast dus aan Job. Hij woont op de zolder, in een grote ruimte die ook dienst doet als werkplek. 

Ik vraag hem naar zijn bezigheden.

“Ik doe veel verschillende dingen. Ik ben eigenlijk een innovatieve probleemoplosser. Ik help mensen met allerlei problemen, in allerlei situaties. Dat komt een beetje voort uit het gegeven dat ik niet zo van zekerheid, van voorspelbaarheid houd. Ik noem dat sleur.”
Antikraak is dan ook echt wat voor Job. Toen hij eenmaal in een ongewoon pand had gewoond (een voormalig bankgebouw), was hij verkocht. 
“Toen heb ik meteen gezegd: ‘Doe mij voortaan maar rare panden. Ik wil geen woonhuis meer.’ Ik vind het helemaal geweldig. Je kan de dingen zelf indelen. In dit soort ruimtes bijvoorbeeld...” Hij maakt een wijds armgebaar. “In zo’n grote ruimte kun je zelf bepalen hoe of wat. Terwijl een woonhuis meestal een vaste indeling heeft. Sommige mensen willen per se een goede douche en een badkamer en een keuken. Dat vind ik allemaal minder belangrijk.”

De verzameling koffers is een handige verhuishulp.
Job helpt zogezegd mensen. Desgevraagd licht hij dit toe.
“Ik help alles en iedereen. Particulieren leveren meestal geen geld op, dus af en toe help ik een bedrijf. Daarmee verdien ik dan geld en kan ik weer allerlei andere dingen doen.”
Zijn laatste opdracht was voor een bedrijf dat zich bezighoudt met natuursteen. Dit bedrijf klopte in januari bij hem aan met de vraag een weggevertje te bedenken voor op een beurs. Hij ging met hen in gesprek en al snel bleek dat Job nog veel meer voor ze kon betekenen. Hij bedacht, naast het weggevertje, 
een manier van presenteren die beter aansluit bij de klant en hielp bij het ontwerp van de standVoor de afgelopen Provada schakelde het bedrijf Job opnieuw in om mogelijke problemen voortijdig te tackelen. Daarnaast bedacht hij een nieuwe slogan die beter past bij de identiteit van het bedrijf en stond zelf klanten te woord op de beurs.

Ik ben benieuwd of Job veel connecties heeft die hij voor dit soort klussen aan kan spreken.
“Ik ben eigenlijk een soort uitvinder en als ik geen opdracht heb, ben ik aan het rondkijken, dingen aan het verkennen en aan het ontdekken. Ik ben altijd wel op zoek naar iets voor één of ander project.  Een technisch dingetje dat dan weer niet bestaat of niet te vinden is. Maar dan kom ik allerlei dingen tegen die er op lijken. Op het moment dat ik dan zo’n vraag krijg van een bedrijf, weet ik wel waar ik moet zijn.”
Oude postzakken doen dienst als zitzak.

Job is dus uitvinder. Ik vraag hem hoe hij dat zo is geworden. Hij vertelt dat hij afgestudeerd is aan de TU Delft in Hoogspanningstechniek. (“Dat vond ik ook heel leuk, lekker in zo’n laboratorium met bliksem spelen.”) Dat wereldje bleek echter niets voor hem: het was hem te rustig en vernieuwing kwam te langzaam.
Job was altijd al bezig met allerlei projecten, concepten aan het uitdenken. Hij wilde graag iets met die creativiteit doen, maar wist niet goed wat. Hij ging op zoek naar een bedrijf dat hem om zijn creativiteit in dienst wilde nemen, maar omdat hij zijn kunnen nog niet echt kon aantonen, bleek dat lastig. Hij begon boekjes bij te houden met ideeën en bouwde een portfolio op. Vervolgens werd hij gelijktijdig aangenomen op de Design Academy, voor de master Experience Design, op de Hallo Academie voor conceptdenken en communicatie en op de Rietveld Academie.
Dus toen had ik de keuze. Ik kon geen bedrijven vinden waar ik mijn ei kwijt kon, want die vond ik allemaal te "bedrijvig" en te weinig klantgericht. Totaal niet creatief, dat viel me erg tegen. Uiteindelijk heb ik ervoor gekozen om tegelijkertijd de Hallo Academie en het Rietveld oriëntatiejaar te gaan doen. Dat is erg goed bevallen.

Na dit jaar werkte hij in eerste instantie vooral als kunstenaar.
“Ik maakte echt van alles. Had heel veel ideeën, bedacht concepten en soms werkte ik dat uit. Maar uiteindelijk kwam ik er achter dat wanneer ik iets moois maak, ik dat ook ergens moet ophangen of neerzetten en de ruimte waarin vind ik heel vaak niet mooi. Alles er omheen vind ik lelijk. Dat moet dan allemaal veranderd worden, om het meer mijn ding te maken. Lelijke dingen worden nog lelijker als je er iets moois naast zet. Dat ging me irriteren. Ik bedacht dat ik eerst al die dingen moet veranderen, pas dan kan ik weer het verhevene gaan maken. 'Zinloze' kunst. Dus daar ben ik nu mee bezig, ik ben alles wat je dagelijks nodig hebt aan het veranderen; versimpelen en daarmee essentiëler en dus mooier maken.

Vanuit zijn ruimte kijkt Job uit op de klokkentoren.
Nieuwsgierig naar Job’s geschiedenis bij Zwerfkei, vraag ik hem hoe hij bij ons  terecht gekomen is. Hij vertelt dat hij samenwoonde, maar dat de relatie op een gegeven moment spaak liep: één van hen moest het huis uit. Job had al antikraak gewoond en was wel toe aan wat avontuur. Hij stapte binnen bij een makelaar en vroeg met welk antikraakbureau het bedrijf werkte. Men verwees hem door naar Zwerfkei. Hij ging op gesprek en kreeg snel een woning toegewezen.
“Dat was aan de Waldeck Pyrmontlaan. Het was net voor kerst en er moest maar vijf weken op de woning gepast worden voor de nieuwe eigenaren. Die waren bang dat er tussen Kerst en Oud & Nieuw misschien problemen zouden komen. Er zat niets in de woning, alleen een badkamer. Ik heb wat spullen gepakt; een matras, een stoel en een tafel, zoals dat officieel hoort en ben er direct naartoe verhuisd. Een verademing, zo'n leeg huis!
Na dit huis kwam ik terecht in een bankgebouw aan de Herengracht. Helemaal fantastisch! Marmeren vloer, tromp-l’oeil schilderij in de gang, alsof er een tweede gangetje zat, een schuilbunker in de tuin. Ik zat op een verdieping van voor tot achter, ik had zo'n 200 vierkante meter aan de gracht. Geweldig!”

Toch is dit bankgebouw voor Job niet het mooiste pand dat hij heeft bewoond. Dat is namelijk het Nieuwe de la Mar Theater, waar hij een paar maanden woonde voor het verbouwd werd. Hij gebruikte de voormalige artiesteningang als entree en via een raar gangetje kwam hij dan in zijn woonruimte: de theaterzaal. Die was nog helemaal intact, compleet met podium, stoelen en gordijnen. Midden op het podium stond zijn bed. Hij noemt het de meest fantastische ruimte ooit.
“Het grappige is: je gaat je ook anders gedragen. Je voelt je op de een of andere manier toch een beetje bekeken. Je wordt je nog bewuster van de manier waarop je dingen doet. Dat paste heel goed bij mij op dat moment, het voelde nooit gek.”

Job maakte wel vreemde dingen mee in het pand. Zo hoorde hij eens een soort spook. Op een hoogte waar dat eigenlijk niet kon, omdat er niets zat, alleen lucht, nam hij gebonk waar. Ook maakte hij kennis met een Amsterdamse dakenklimmer.

Job bekleedde wat wanden met wit camouflagenet.
“Ik zag 's nachts een man op het dak en dacht eerst dat hij wilde inbreken in het American Hotel erachter, maar hij had helemaal niets bij zich. Ik maakte een foto van hem en was de politie al aan het bellen, toen hij over de daken en via een noodtrap naar beneden verdween. Drie maanden later woonde ik in het hotelletje waar die noodtrap bij hoorde. Ik kwam een keer thuis en zag op straat diezelfde man lopen, in exact dezelfde kleren. Ik zette snel mijn spullen weg en ging achter hem aan. Ik dacht dat hij café De Smoeshaan in ging, maar daar bleek hij niet te zijn. Het barpersoneel had hem ook niet gezien. Maar ik wist: hij is daar ergens! Ik wilde weten hoe het zat. Ik ben terug gegaan naar het hotel en heel stilletjes, zonder de lichten aan te doen, door de achterdeur de noodtrap op gegaan. Ik hoopte de man op het dak te zien en zo te achterhalen wat hij nou aan het doen was. Een paar minuten later hoorde ik ineens: “kloenk kloenk kloenk”. Voetstappen op de noodtrap! Er kwam iemand omhoog richting het dakje waar ik op stond. Op dat moment kon ik niet meer stilletjes weg. Er kwam iemand boven en het bleek die man te zijn. Ik stak mijn hand naar hem uit en zei: ‘Hallo, ik ben Job.’ Hij viel bijna van de trap van schrik, maar stelde zich ook aan mij voor. We raakten aan de praat en hij legde uit wat hij hier nou eigenlijk deed. Het bleek dat hij door heel Amsterdam voor zijn plezier op daken klimt, omdat hij graag het hoogste punt van gebouwen opzoekt. Interessant vond ik dat.
Later zat ik eens op het terras van De Smoeshaan een vriendin over dit voorval te vertellen en terwijl ik met mijn verhaal bezig was, kwam hij weer langs lopen. Dat was erg grappig. Het zijn de avonturen die het leuk maken.”

Op sommige delen van de zolder waan je je in een molen.
Dat Job van avontuur houdt, blijkt ook wel uit de panden die hij nog op zijn verlanglijstje heeft staan. Zo zou hij graag nog eens in een bunker wonen. Omdat ze onverwoestbaar zijn, op rare plekken staan en je een panoramisch, maar gekaderd uitzicht hebt door de schietgaten en observatiespleten. Zou zo’n ruimte hem niet beklemmen?
“Nee. En anders zou ik er gewoon een kas naast bouwen, dan heb je een donkere en een lichte ruimte.”
Ook een schip en een kerk spreken hem wel aan. Eigenlijk is hij wel te porren voor elk ongewoon pand, ook als er weinig voorzieningen zijn. Daar schuilt dan weer de uitdaging in.
“In de panden waar ik woonde, was de verwarming vaak oud en regelmatig stuk, dus ik ben wel wat gewend. Een douche is wel fijn, maar ook een periode zonder douche is te overbruggen. Ik heb in het pand hiernaast gezeten en dat is een monument, dus er mag niet zomaar iets veranderd worden. Het zou maar drie maanden duren en voor die korte tijd werd geen douche geplaatst. Ik was toen twee keer per week bij een duikvereniging, een keer per week in buitenwater en ik zat veel bij vrienden, dus dat ging wel een tijdje.  Maar op een gegeven moment, toen het langer duurde, heb ik wel een nooddouche gemaakt met een drukvat, zodat ik in ieder geval iets kon. Douchen is toch wel een heel prettige activiteit.”
Ondanks zijn flexibiliteit, vindt Job de onzekerheid wel een nadeel als hij op vakantie gaat. Als je naar het buitenland vertrekt hoop je dat je niet tijdens je vakantie hoeft te verhuizen. Dan moet je of terugkomen, of vrienden inschakelen. Ook noemt hij onaangekondigde bezoekjes van makelaars, die in het verleden wel eens voorkwamen, onprettig. Maar de nadelen wegen voor hem niet op tegen de voordelen.

Aangezien Job inmiddels een doorgewinterde antikraker is, ga ik ervan uit dat hij een slim systeem heeft bedacht voor het verhuizen. Hij beaamt dit. Wijst naar zijn meterslange bureau/tafel.
“Ja, kijk: de tafelbladen (van karton – red.) zijn superlicht. De bakken waar ze op leunen zijn eigenlijk al ingepakt. Als ik ga verhuizen, hoef ik er alleen nog maar een spanband overheen te doen. Voor mijn kleren heb ik een paar hele grote tassen. Ik pak alles van het rek en gooi het in die tassen. Die rekken schroef ik uit elkaar met een paar vleugelmoertjes. Ik probeer alles gewoon zo licht en verhuisbaar mogelijk te maken. Het regelmatige verhuizen helpt mij om alles lean and mean te houden, ik sjouw geen onnodige ballast mee.
Sommige mensen wel, hoor! Ik heb mensen gezien die op de Keizersgracht eikenhouten bankstellen naar de vierde verdieping gingen slepen, koelkasten van twee meter hoog, wasmachines... Ik stond er echt met verbazing naar te kijken. 
Sommige mensen haken snel af bij antikraak. Het verhuizen en makelaars die langskomen vinden ze onhandig. Het vraagt natuurlijk ook wel wat flexibiliteit. Er is altijd wel iets onhandigs aan zo'n pand en er zijn lekkages en storingen aan installaties zoals verwarming, elektriciteit, brandmelder, etc. Dus je moet echt een beetje verantwoordelijkheidsgevoel hebben en problemen signaleren, melden en/of zelf oplossen. Als je dat niet leuk vindt, kun je beter geen antikraak doen.
Bij een groot pand komt een grote sleutelbos.
Ik vraag Job hoe belangrijk de ruimte voor hem is.
“Erg belangrijk. Veel mensen hebben behoefte aan zoveel mogelijk mensen om zich heen, die zoeken dat ook op. Ik heb dat af en toe, maar ik heb soms de behoefte me even helemaal terug te trekken. Dan vind ik zo’n grote ruimte als dit echt geweldig. Je kunt van alles doen, zonder dat je je opgesloten voelt en dat is eigenlijk hetgeen ik het meeste waard vind. Soms woon je wel eens in een hele kleine ruimte, maar als je dan een beetje uitzicht hebt, vind ik het ook prima. De ruimte moet èrgens zitten. Binnen of buiten, dat maakt niet uit. Maar je moet hem kunnen zien en daardoor ervaren. Als dat kan, ben ik helemaal blij. En ik vind het ook leuk om helemaal boven in panden te zitten. Dan ontstijg je toch een beetje het alledaagse gedoe. Het is hetzelfde als je met een bootje over de grachten vaart. Het is een heel andere dimensie qua snelheid. Op straat moet je goed opletten, er gebeurt van alles, er is veel herrie, het is druk. Als je op het water zit, is het allemaal veel rustiger. Je ziet wel alles, maar je ziet de dingen op een andere manier. Dat heb je ook als je hoog woont. Dan beweegt alles van meer afstand en dus trager. Dat is erg mooi.”

Job geeft me tot slot nog een rondleiding over de verdieping. Over avontuur gesproken! We gaan een deur door en komen uit op een klein halletje, waar een douche staat. Tussen de douche en de wand zit een kier, waar we doorheen gaan. We komen terecht in een lage ruimte vol buizen en pijpen. Het ronkt en bromt er, het ruikt stoffig en een beetje naar machines. Ik kan hier, met mijn 1.60 meter, net niet rechtop staan. Voor Job, die twee meter lang is, is het dus nog een stuk lastiger om zich voort te bewegen. Halverwege de ruimte, aan de rechterkant, zit een deur. Job opent hem en het daglicht stroomt naar binnen. Tot mijn verbazing staan we ineens aan een dak. Rechts kijken we vanuit de buitenkant op Jobs ruimte, aan de linkerkant zie we in de hoogte de klokkentoren van het pand. Prachtig! 

A room with a view...
We gaan weer naar binnen en vervolgen onze weg tussen de buizen. Aan het einde van het vertrek zit weer een deur, ditmaal een ouderwetse van zwart geschilderd metaal, die opent met een grote metalen hendel. We komen in een grotere, hogere ruimte met veel hout: houten wanden, houten balken en houten trappetjes. Het doet denken aan het interieur van een molen. We klimmen een ladder op en lopen over een ongelijke vloer naar het andere einde van het pand. Geregeld moeten we bukken voor dikke dwarsbalken. We komen opnieuw bij een trap en beklimmen deze. Hij komt uit op een klein en donker rond plateautje, waar we nogmaals een ladder vinden, hoger en steiler dit keer. Wederom klimmen we naar boven en nu komen we terecht in een nog kleinere ronde ruimte. We bevinden ons nu in de klokkentoren. De klok, die zich boven ons hoofd bevindt, slaat op dat moment drie keer. In het zachte bruine hout rondom zijn talloze namen en jaartallen gekrast door mensen die ons voorgingen. Maar het mooiste moet nog komen. Job schuift een klein raampje vanaf de vloer een stukje omhoog en zo kunnen we de smalle balustrade om de toren op. Voorzichtig klimmen we naar buiten en dan blijken we ons tientallen meters boven alles in onze omgeving te bevinden. Het uitzicht is adembenemend. Ik kijk naar beneden, naar de kleine mensjes op straat, de miniatuurfietsjes en Madurodam-autootjes. Het is een beetje onwerkelijk en alles daar beneden schijnt erg ver weg. Het klopt, wat Job zegt: het lijkt inderdaad allemaal wat langzamer te gaan. En het is mooi. Heel mooi.

Contact met Job? 
http://www.bedenker.com/

donderdag 10 mei 2012

Maak kennis met...


In Amsterdam staat veel leeg. Het gaat om panden waar voor kortere of langere periode geen invulling voor is. Om de risico's van leegstand te vermijden, schakelen pandeigenaren Zwerfkei in om verantwoordelijke tijdelijke beheerders in deze panden te plaatsen. Graag stellen we een aantal van hen aan je voor.
Maak kennis met Barbara van der Zanden.

Barbara ontvangt me in haar atelier op de begane grond van een voormalig buurtcentrum in de Schinkelbuurt. De ruimte is licht (de metershoge voorzijde bestaat bijna geheel uit glas) en door de aanwezige stoffen in allerlei patronen behoorlijk kleurrijk. Op grote rekken hangen kledingstukken in diverse stadia van gereedheid. Het uitzicht mag er wezen: het hoekpand kijkt uit over het kabbelende water van de Schinkel.

Barbara heeft haar eigen kledinglabel en gebruikt het atelier om haar collecties te ontwerpen en maken. Haar creaties worden verkocht in een aantal winkeltjes in Amsterdam, Utrecht en Eindhoven. Als een kledingstuk goed verkoopt, laat ze het in een grotere oplage maken in een naaiatelier in Roemenië. Dit is een recente ontwikkeling. Voorheen werd ieder kledingstuk eigenhandig door haar gemaakt, sinds een jaar laat ze produceren. Het is een grote stap vooruit voor haar onderneming, maar het brengt ook veel stress met zich mee. 
“Ik dacht dat het vooral lastenverlichting zou betekenen, omdat ik niet meer alles zelf hoef te maken, maar er komt ontzettend veel bij kijken.” 

Het atelier ligt vol met verschillende stoffen. 
Barbara vindt het nog steeds een beetje eng om een deel van het proces uit handen te geven. Je investeert veel eigen geld, alles moet voorgefinancierd worden en dan is het nog maar de vraag of je het terugverdient. Èn of je de stukken goed terugkrijgt.
“Laatst had ik een doos met 75 jurken waarvan de mouwen er allemaal verkeerd om ingezet waren.” Ze lacht. 
“Ja, dan krijg je natuurlijk de discussie wiens fout het is. Op wiens kosten moet het hersteld worden? En dan: hóe moet het dan hersteld worden? Want als ze in eerste instantie hun eigen inzicht gebruiken om het te herstellen, krijg ik het terug en is het weer niet goed. Uiteindelijk heb ik er zelf maar gewoon een mouw er in gezet, kijk: zo moet het. Dat houdt me wel bezig!”

Het zoeken naar praktische oplossingen is Barbara bepaald niet vreemd. Ze studeerde natuurkunde en promoveerde op onderzoek naar zonne-energie. 
“Vroeger wilde ik de wereldproblematiek oplossen. Later werd dat wat genuanceerder en wilde ik een bijdrage leveren aan de energieproblematiek. Na mijn promotie heb ik bij een bedrijf gewerkt dat de door mij onderzochte techniek op de markt ging brengen. Toen er een fabriek gebouwd werd en ik een soort managementfunctie kreeg dat niet mijn ding was, dacht ik: ‘Ik heb mijn missie al volbracht, dus ik mag nu gaan spelen.’”  

Toen Barbara zes was, kroop ze al achter de naaimachine. Dit was een “geheim genot”: haar moeder vond naaien zonde van de tijd en dus deed Barbara het een beetje stiekem. Hoewel ze vroeger nooit overwoog om met naaien haar geld te verdienen, is dat precies wat ze ging doen, nadat ze haar baan had opgezegd. Zodra ze die knoop had doorgehakt, ging het ook direct lopen. Winkels wilden haar stukken graag verkopen en ze werd gevraagd kleding te ontwerpen voor Hind, die mee zou doen aan het Eurovisie Songfestival. Al vrij snel kon ze leven van haar kleding. Dit bevestigde haar in de overtuiging de juiste keuze gemaakt te hebben.

Barbara gebruikt haar atelier om te samplen: ze ontwerpt en naait er alle nieuwe kledingstukken. Alle patronen tekent ze ook zelf, door haar technische achtergrond gaat dit haar makkelijk af. Ze geeft er daarnaast naailessen. 
“Ja, dat is eigenlijk begonnen met een groepje vriendinnen dat wilde leren naaien. In mijn vorige atelier via Fusion (een jongerenorganisatie) mocht ik gratis gebruik maken van de ruimte, als ik jongeren naailes aanbood.  Toen ben ik begonnen met het geven van een cursus voor jongeren. Toen ik in mijn huidige ruimte terecht kwam, maakte de leeftijd van de deelnemers niet meer uit en kon ik ook mijn vriendinnen uitnodigen. Die waren helemaal blij!
’s Avonds, als het buiten donker is en binnen licht, heb je vanwege het vele glas veel inkijk. Vaak kwamen 
buurtbewoners binnenlopen: ‘Oh wat is het hier gezellig, mag ik ook meedoen?’”
Het merendeel van de cursisten is buurtbewoner, ze wonen in de straten rondom het atelier. 
“Ik heb echt een beetje de functie van het buurtcentrum overgenomen. Toen ik hier net was ingetrokken, zat ik eens te werken met de deuren open. Ineens kwam er iemand binnen rijden op een brommer met zo’n bak ervoor. Wroem! Hij reed zo naar binnen! Ik keek hem verbaasd aan en hij zei: Ja, ik heb hier vroeger gewerkt!” Barbara lacht. “Dat was erg grappig. En zo is dus de buurt: die beschouwt dit als haar eigen plek. Vroeger werden hier ook naailessen gegeven en daarom dacht men ook wel dat mijn activiteiten een soort voortzetting daarvan waren. Ik heb hier zelf nog callanetics gedaan in de gymzaal. Het was ook míjn buurtcentrum, ik heb er zelf gebruik van gemaakt. Mijn atelier was destijds een soort koffiecorner, er stonden toen allemaal tafeltjes. Vandaar de keuken.” 

Achterin de ruimte, achter een bar met een blauw marmeren blad, staat tegen de muur een ware blikvanger. Een wandlange keuken met kersenhouten kastjes en dito keukenblad. Boven paarse tegeltjes zit over de hele lengte een smalle spiegel, daarboven hangen nog meer kastjes met bijzondere kopergeslagen deurtjes. De handvatten doen denken aan ouderwetse kloppers op een kasteelpoort. In de keuken is nu een regenboog aan glanzend garen gestald.



Barbara kwam via haar toenmalige vriend bij Zwerfkei Tijdelijk Beheer terecht. Hij had een aantal leegstaande panden en wilde graag informatie  over het inzetten van antikraak. Barbara vroeg hem ook te informeren naar de mogelijkheden voor een antikraak atelier. Zo kwam ze in het bestand van Zwerfkei. Haar mening over antikraak was toen al positief.
“Van jongs af aan al vond ik de maatschappij stom. Ik vond dat men de hele woningproblematiek echt helemaal verkeerd aanpakte. Ik heb toen ook wel eens gekraakt in Den Haag. Ik dacht: ‘Als de junks er gebruik van kunnen maken, mag ik er ook wonen.’ Maar eigenlijk was ik heel blij dat er met antikraak een manier ontstond waarmee je op een normale manier, dus in overeenstemming met de eigenaar, toch gebruik kon maken van die leegstand. Dus het was voor mij  ook wel beetje idealisme.” 
Dit is een opvallend uitspraak. Voor krakers bijvoorbeeld heeft antikraak juist helemaal niets met idealen te maken. Zij zijn bij wijze van spreken anti-antikraak. Barbara begrijpt dit niet.
“Twintig jaar geleden ging de kritiek misschien op, toen zag ik in Den Haag dat er hele grote panden waren waar dan maar twee mensen in zaten en dat was, gezien de hoge woningnood, inderdaad zonde van de ruimte. Ik weet niet hoe dat nu in Den Haag is, maar ik zie dat het hier (in Amsterdam – red.) heel anders is. Als hier iets antikraak beheerd wordt, dan zie je dat achter elk raam een lichtje  brandt. Het is niet zo dat er maar één iemand zit om de boel een beetje te beveiligen. Er wordt echt gebruik gemaakt van de mogelijkheden, dus het is een goede oplossing van het leegstandsprobleem.” 
Wat Barbara ook positief vindt aan antikraak, is de geringe vergoeding die voor een ruimte betaald wordt. Dit maakt het starten van een eigen onderneming laagdrempelig. Het geld dat ze verdient met haar kleding, investeert ze direct weer in de volgende collectie. Er blijft dus geen geld over om een hoge huur mee te betalen. Ik vraag haar of het haar ondernemen zou beïnvloeden als ze geen ruimte via Zwerfkei had.

Kleding gemaakt voor een nieuw project van Marcel Wanders.
“Dat zou artistiek gezien geen verschil maken. Ik zou geen andere dingen maken om meer geld te verdienen. Ik ben toch al bezig mijn bedrijf winstgevend te maken, dus daarin zou ik niets anders doen. Maar ik zou dan thuis moeten gaan werken, want ik heb nog niet de middelen om via reguliere huur een ruimte te nemen.” 
Van de nadelen van antikraak heeft Barbara tot nu toe nog niet echt last, ze zit namelijk al twee jaar in haar huidige atelier. De onzekerheid over de duur van het beheer en vervangende ruimte houden haar niet bezig. Omdat ze een eigen huis heeft, zal ze nooit op straat komen te staan. Hoewel het verre van ideaal zou zijn, zou ze in het uiterste geval haar spullen opslaan in een loods of box en van huis uit werken tot ze een andere ruimte had. 
“Ik zie natuurlijk wel op tegen de verhuizing, want die wordt steeds groter: ik ben steeds meer aan het verzamelen.” 
Voor de verhuizing zelf heeft ze geen systeem bedacht, ze ziet wel hoe dat te zijner tijd gaat. Aangezien ze een busje heeft waarmee ze spullen kan verplaatsen, maakt ze zich ook daarover geen zorgen. 
Als ik haar vraag of ze eisen stelt aan een vervangende ruimte, moet Barbara lachen.
“Wensen. Ik zou het wensen noemen en geen eisen. Wat ik van dit pand fijn vind, is dat ik aan de straat zit en een etalage kan inrichten, want daar krijg ik heel veel positieve reacties op. Laatst zat er een briefje in de bus waarop stond: “I can’t stop looking at your beautiful cloths”. Dat is natuurlijk heel leuk om te horen. Het is wel belangrijk dat de nieuwe ruimte licht is. Omdat ik heel veel met stoffen en kleuren werk, kan ik niet op een plek zitten waar ik altijd met kunstlicht moet werken, dat werkt niet.”
Ze spreekt haar voorkeur voor een vergelijkbare buurt, waar de interactie met de bewoners goed is. “Zoals dat hier is, is echt ideaal. Ik ben heel blij dat ik hier al twee jaar kan zitten. Ik vrees dat het nooit meer zo mooi wordt als ik het nu heb! 

"Waarover ik wel droom, is dat jullie tegen die tijd misschien een winkelpandje hebben. Dat zou ook super leuk zijn. Dan kan ik meer geld binnenhalen, mijn zaak echt een boost geven en ben ik binnenkort uit de antikraak.” 
Het is voor Barbara een doel om uiteindelijk niet meer antikraak te zitten. 
“Omdat toch de kans bestaat dat je ergens terecht komt op een industrieterrein. Dan wil ik de keuze hebben om een plek te huren zoals dit. Als ik deze ruimte zelf zou kunnen betalen, zou ik wel willen blijven. Tot die tijd moet ik het doen met wat me wordt aangeboden.”

Op de begane grond, in de gymzaal, zit een aantal kunstenaars. Met hen heeft Barbara goed contact. Het is erg gezellig. En ook praktisch: als ze een boor nodig heeft, kan ze die bij hen lenen. En omgekeerd: als zij iets nodig hebben, heeft Barbara dat vaak. Ze kan zich goed voorstellen dat er kruisbestuiving plaats zou vinden met medegebruikers.
“Absoluut! Deze mensen houden zich echt bezig met kunst, terwijl ik vooral een onderneming heb. Dat sluit niet helemaal op elkaar aan, maar als ze iets hadden gedaan dat meer op mijn vakgebied ligt, zou kruisbestuiving zeker plaatsvinden. 
De jongen die hierboven woont heeft mijn Facebookpagina opgezet. In ruil daarvoor heeft hij bij mij een jurk voor zijn vriendin uitgezocht. Zo help je elkaar.”

Als Barbara het aanbod zou krijgen om met vergelijkbare ondernemingen een pand te gaan delen, zou ze dat op dit moment niet doen. Haar huidige atelier bevalt haar gewoon te goed. Ze geniet erg van het uitzicht over het water en van het feit dat ze onderdeel van de buurt is. 
“Ik denk dat ik dat nu belangrijker vindt dan samenwerken. Ik kende dat helemaal niet, dat je echt ín een buurt zit. Ik vond het eerst juist fijn van Amsterdam dat je anoniem kunt zijn. Ik kende net aan mijn directe buren, de rest niet. Nu heb ik een soort van publieke functie in de buurt en ik vind het heel leuk om dat te ervaren. 
Aanvragen voor naailes neemt Barbara voorlopig niet meer aan.
Voor een volgend pand zou ik het wel leuk vinden als er meer interactie met collega’s mogelijk was. Maar nog belangrijker vind ik dat ik in een volgend pand naailessen kan blijven geven in de avonduren. Ik heb gemerkt dat ik dit echt erg leuk vind. Ik heb goed contact met de meiden van de naailes, na een hele dag alleen en in stilte gewerkt te hebben, is het heerlijk om
’s avonds gezellig met thee en koekjes te kletsen. Ik kan doen wat ik het leukst vind, namelijk naaien en dat delen met anderen die dat ook leuk vinden. Een vriendin van mij zat in een pand met een portier, waar iedereen elke avond om 19:00 uur uit moest. Dat zou niets voor mij zijn. Ik werk vaak ’s avonds en ’s nachts, dus ik moet me vrijelijk in en uit kunnen bewegen. Juist als ondernemer is die vrijheid heel belangrijk. In de avonduren ben ik het meest productief, ik moet er niet aan denken dan thuis op de bank te zitten! Wat moet ik dan?” Ze lacht. “Soms komen er ’s avonds buurtbewoners langs als ze hun hondje uitlaten en dan kloppen ze op het raam: ‘Maak je het niet te laat meid? Niet zo hard werken hoor!’ Die betrokkenheid is heel fijn.”

Zien wat Barbara maakt? Kijk op http://www.bvdz.eu 

dinsdag 17 januari 2012

Water for Life 24/7 Project

Zwerfkei Tijdelijk Beheer stuurde afgelopen kerst, evenals vorig jaar, geen kerstkaarten. In plaats daarvan hebben we geld geschonken aan een goed doel.

Rotary International is een wereldwijde organisatie, die tot doel heeft beroepsleiders en leiders uit de zakenwereld samen te brengen. Om humanitaire diensten te verlenen, ethische standaarden in alle beroepen te verhogen en bij te dragen aan de opbouw van goodwill en vrede in de wereld. Rotary International wordt gevormd door lokale Rotary Clubs, Rotary Club Eastern Seabord is zo´n lokale afdeling.

Op 3 januari jl. werden tijdens de nieuwjaarsreceptie de projecten van Rotary Club Eastern Seaboard gepresenteerd. Alle leden, waaronder onze commercieel directeur, waren aanwezig. Na een toast op het nieuwe jaar werd de receptie geopend. De leden vertelden vervolgens over de verschillende lopende projecten.

Eén daarvan is het Water for Life 24/7 project. Dit project voorziet in draagbare waterfiltersystemen, waarmee vervuild water gezuiverd wordt. De filters worden gekocht voor Thai die, als gevolg van de ernstige overstromingen, geen beschikking hebben over schoon drinkwater. De Water for Life filters bevatten een zogenaamd dual membrane ceramic filter, waarmee 99,9999% van de bacteriën uit het water gehaald kunnen worden, waaronder e-coli, staphylococcus, salmonella, cholera en legionella.

Namens Zwerfkei Tijdelijk Beheer overhandigde onze commercieel directeur een cheque aan Rotary Club Eastern Seabord voor dit project. Zwerfkei doneerde een bedrag waarmee filtersystemen kunnen worden aangeschaft voor 100 Thaise gezinnen.




Zwerfkei bedankt haar relaties voor de verstuurde kerstkaarten en attenties!


www.youtube.com/waterforlife
www.rotary-es.org
www.zwerfkeibeheer.nl

dinsdag 15 november 2011

Verwarming

Nu het kouder wordt, verplaatst de aandacht zich van de warmte buiten-, naar de warmte binnenshuis.

Gaskachel
Veel Amsterdamse woningen worden nog verwarmd met een gaskachel. Een gaskachel verwarmt snel en is sfeervol, maar het gebruik ervan vraagt wel wat zorg. Waar moet je op letten?

• Laat een gaskachel altijd door een professional aansluiten. Het lijkt eenvoudig, maar een kleine fout kan ernstige gevolgen hebben.
• Zorg altijd voor voldoende ventilatie! Een gaskachel verbrandt gas en daarbij komt vaak koolmonoxide vrij. Dit geur- en kleurloze gas is giftig en kan dodelijk zijn. Het is daarom belangrijk voor voldoende frisse lucht te zorgen. Plaats voor de zekerheid een koolmonoxidemelder.
• Zet in verband met brandgevaar geen rekjes met wasgoed voor een gaskachel. Hang er ook geen textiel overheen. Door de hitte kunnen dit soort materialen ontbranden. 
• Laat een gaskachel eens per jaar door een vakman controleren, schoonmaken en eventueel afstellen.

De aandachtspunten die gelden voor een gaskachel, gelden ook voor geisers, met name wat betreft ventilatie. Ook met deze apparaten is voorzichtigheid geboden.

CV-ketel
Een CV-ketel geeft minder risico´s, maar behoeft ook aandacht.

De waterdruk, af te lezen op de zogenaamde manometer, moet tussen 1 en 2 bar zijn. Is de waterdruk te laag, dan kun je problemen met je verwarming verwachten. Gelukkig kun je hier zelf iets aan doen. Het bijvullen van een ketel is redelijk eenvoudig. Op internet zijn tal van instructiefilmpjes te vinden. Bijvoorbeeld hier. Ook publiceren fabrikanten van ketels vaak handleidingen online.


Wanneer de radiatoren van een verwarming een tikkend geluid maken, zit er teveel lucht in en moeten ze ontlucht worden. Je ziet hier hoe je dit doet.

vrijdag 12 augustus 2011

De Amsterdamse Antikraker

Zwerfkei Tijdelijk Beheer is al meer dan dertig jaar werkzaam als leegstandbeheerder in Amsterdam. We kennen de Amsterdamse vastgoedmarkt dan ook als geen ander. We weten wat er speelt en hoe lokale regelgeving in elkaar steekt. Door de jaren heen hebben we een groot netwerk van zakelijke relaties opgebouwd, waarmee we goede contacten onderhouden. Ook hebben we een uitgebreid bestand met bewoners en potentiële bewoners. Sinds de start van ons bedrijf hebben we zeker een paar duizend mensen voor kortere of langere tijd aan woon- of werkruimte geholpen. De Amsterdamse antikraker voelt zich thuis bij Zwerfkei en wij zijn blij met de Amsterdamse antikraker. Reden genoeg om eens te onderzoeken wie die Amsterdamse antikraker nou eigenlijk is.
Voor dit onderzoek stelden we een lijst op met vragen rondom een zestal thema’s: 

  • Persoonlijk
  • Werk en studie
  • Wonen
  • Amsterdam
  • Vrije tijd 
  • Overtuigingen

Via diverse online kanalen is het onderzoek aangekondigd en om medewerking gevraagd. Daarnaast hebben we ons eigen bewonersbestand benaderd. Een deel van de ingevulde vragenlijsten was onbruikbaar, omdat de respondent bijvoorbeeld niet in Amsterdam woonachtig is of niet antikraak woont. In totaal zijn 64 bruikbare vragenlijsten teruggekomen. Drieëntwintig exemplaren daarvan zijn ingevuld door vrouwen, eenenveertig door mannen.


Persoonlijk
De Amsterdamse antikraker is ambitieus! En creatief, sociaal, enthousiast en sportief. We vroegen de respondenten zichzelf in vijf woorden te omschrijven en deze eigenschappen vormden de top 5.



Daarnaast vinden veel deelnemers zichzelf vriendelijk, ondernemend en eerlijk. 
Dat de antikrakers creatief zijn, blijkt wel uit het aantal kenmerken dat door hen genoemd is. De deelnemers hebben zichzelf met maar liefst 77 verschillende eigenschappen omschreven. De meest uiteenlopende karakteristieken zijn voorbij gekomen. Van serieus, ondoorgrondelijk en moeilijk tot inspirerend, impulsief en lekker. De Amsterdamse antikraker is dus behoorlijk veelzijdig.


Werk en studie
Op drie na geven alle deelnemers aan te studeren of gestudeerd te hebben, dit betekent dat 95% van de antikrakers geschoold is. Van de huidige studenten, volgt het merendeel  een opleiding aan de Universiteit van Amsterdam. Een aanzienlijk deel studeert buiten Amsterdam.


Bijna 90% van de ondervraagden werkt, al dan niet naast een studie.


Wonen
Gemiddeld woont de Amsterdamse antikraker, die bijna zevenentwintig is, sinds vier jaar antikraak in Amsterdam. De eerste antikraak woning werd dus betrokken op drieentwintigjarige leeftijd en daar kwam men via via terecht, meestal door een vriend of vriendin. De Amsterdamse antikraker heeft zo’n zes mensen in zijn of haar omgeving die ook antikraak wonen.
Voor veel antikrakers hangt de periode dat zij verwachten nog antikraak te wonen samen met hun inschrijving bij Woningnet. Ze geven aan antikraak te willen blijven wonen tot de inschrijfduur lang genoeg is om in aanmerking te komen voor een leuke sociale huurwoning. Andere redenen om niet langer antikraak te wonen zijn het beëindigen van de studie en het krijgen van een vaste baan, het kopen van een woning en het krijgen van een kind. Een enkeling geeft aan altijd wel antikraak te willen blijven wonen. Gemiddeld schatten de antikrakers in nog drie jaar antikraak te zullen blijven wonen. 


Vrije tijd
De Amsterdamse antikraker noemt zichzelf met recht sportief. Maar liefst 87,5% van de deelnemers geeft aan één of meerdere sporten te beoefenen. Fitness, hardlopen en zwemmen zijn populair. De verschillende sporten worden overigens niet overwegend in clubverband beoefend. Antikrakers mogen verder graag koken, lezen, uitgaan en reizen. Ook muziek en films zijn een belangrijk onderdeel van hun leven. Vrije tijd wordt veelal doorgebracht met vrienden.  


Overtuigingen
Religie speelt niet een belangrijke rol in het leven van de Amsterdamse antikraker. Tien procent geeft aan religieus te zijn, slechts vier procent is actief in het belijden van zijn of haar geloof. Politieke overtuigingen zijn daarentegen sterker aanwezig. Bijna 80% heeft een politieke overtuiging, een vijfde is politiek actief. Het merendeel van de antikrakers heeft een voorkeur voor links. Opvallend is dat het merendeel van de linkse kiezers de politieke voorkeur niet nader definieert met een partij, maar uitsluitend ´links´ antwoordt.

De Amsterdamse antikraker is niet alleen aardig links, maar ook aardig groen: 

  • 54% is overtuigd milieubewust
  • 26% is een beetje tot redelijk milieubewust
  • 17% is niet milieubewust 
  • 3% weet het eigenlijk niet 

Een beter milieu begint bij jezelf en de antikrakers noemen allerlei manieren  waarop zij hun steentje bijdragen.

Afval wordt ijverig gescheiden en men is zuinig met energie. Gezien de sportieve aard van de Amsterdamse antikraker, is het niet verwonderlijk dat ook het kiezen voor de fiets in plaats van de auto hoog scoort.


Amsterdam
Amsterdam is geliefd bij de antikrakers! De diversiteit en levendigheid van de stad worden hoog gewaardeerd, de deelnemers zeggen dol te zijn op de vrije mentaliteit van de mensen en de vele activiteiten die de stad biedt. De sfeer in de stad vinden de meesten erg goed. Amsterdam is gezellig! Men voelt zich er ook veilig: slechts zes procent van de ondervraagden geeft aan zich wel eens onveilig te hebben gevoeld.

Het culturele leven in Amsterdam wordt eveneens goed beoordeeld. Er is veel te doen en de kwaliteit van de mogelijkheden is goed. Hoewel: ‘Je moet het zelf een beetje opzoeken want het is gemakkelijk te blijven hangen in de après-ski kroegen.’  Een enkeling klaagt over vertrutting of vroege sluitingstijden. Over het algemeen is men echter tevreden. De onderstaande tabel laat zien waar de antikrakers verhoudingsgewijs het liefst uitgaan, bijvoorbeeld om te eten of te dansen. De Pijp en Jordaan zijn grote favoriet, daarna volgt het centrum.

Populaire uitgaansgelegenheden zijn Paradiso, Melkweg, Studio 80, Trouw en Bitterzoet, maar ook (buurt)kroegjes en festivals doen het goed.

Ondanks het goede dat Amsterdam te bieden heeft, zijn er ook irritaties. De antikrakers ergeren zich behoorlijk aan toeristen. ´Waarom lopen ze altijd op het fietspad?’ vraagt een deelnemer zich af. Ook de drukte, met name rondom het centrum, vinden veel antikrakers vervelend. 
Een ander punt van kritiek heeft betrekking op de Amsterdamse woningmarkt. Ruim dertig procent van de antikrakers vindt het onmogelijk vaste woonruimte voor een redelijke prijs te vinden. Een van de antikrakers schrijft: ‘Een normale woonruimte is gewoon niet te betalen. Wat wel te betalen is, is of in een slechte wijk, of te klein of helemaal verloederd. Ik zie voorlopig geen andere mogelijkheid dan antikraak wonen.’

Andere punten van onvrede bij de Amsterdamse antikrakers zijn:
  • fietsendiefstal
  • agressie in het verkeer
  • parkeren
  • afval en viezigheid op straat
  • duiven

Evenwel hebben de antikrakers aan Amsterdam hun hart verpand: tweederde van de deelnemers voelt zich een Amsterdammer. Een zeer ruime meerderheid van hen zegt bovendien volmondig ‘ja’ op de vraag of zij verwachten ook in de toekomst in Amsterdam te blijven wonen.




We willen graag alle deelnemende Amsterdamse antikrakers hartelijk bedanken 
voor hun medewerking!